Pagina's

Posts tonen met het label film. Alle posts tonen
Posts tonen met het label film. Alle posts tonen

zaterdag 6 maart 2010

How Science Fiction conquered the world...

Het valt me soms op hoeveel beklijvende visuele elementen van onze cultuur afkomstig zijn uit de rijk gevulde SF iconografie. We kennen de beelden van de bedreigende robot of alien uit de jaren '50 films. (The Thing, This Island Earth, Invaders from Mars...)Uit de jaren zestig herinneren we ons de bevreemdende roes bij het aanschouwen van sprekende apen (Planet of the Apes), de brandende boeken uit Fahrenheit 451, of de sexuele escapades van Jane Fonda in Barbarella. De volgende decade gaf ons een nooit eerder geziene reeks klassiekers. De bijna tastbare eenzaamheid van Charlton Heston in een (bij dag) verlaten Los-Angeles in de eerste scènes van 'The Omega Man'. Het trieste einde van het laatste beetje groen in het visionaire 'Silent Running' waar het enige resterende bos als een verstilde arcologie aan de enorme leegte van het heelal wordt overgelaten.

De beeldenstormvloed van Zardoz waar een hoogtechnologische cultuur ten prooi valt aan lethargie en zich van de rest van de wereld - vervallen tot een staat van barbarij- afzondert. (En ik heb het niet over Sean Connery, die bijna de volledige film in een soort pamper rondloopt.) We mogen ook THX 1138 niet vergeten, waar de ruimte waarbinnen het verhaal zich afspeelt buiten de contouren van het blikveld verder uitdeint, door het grenzeloze gebruik van witte oppervlaktes. Als het ongemak van de mens temidden een eindeloze zee van Lacaniaans genot. En ik heb het dan nog niet over Star Wars, Solaris, Westworld en Soylent Green gehad, die een veelheid van beelden hebben opgeleverd die zich stevig in ons collectief bewustzijn hebben geankerd.

Vivian Sobchack is professor 'Film Studies' aan de Universiteit van California en levert ons een ernstige beschouwing af over de vertaling van SF concepten naar het Amerikaanse filmscherm. 'Screening Space' is een degelijke en theoretische studie van de visuele semiotiek van de SF flim. Het mag inderdaad ook af en toe wel iets anders zijn dan de normale lichtere fankost. Met dit boek laat ze ons met andere ogen en met een dieper begrip de vele - op het eerste zicht - bijna frivole en redundante visuele elementen analyseren.

Thomas M. Disch gaat nog een stapje verder en verheldert in een heerlijke reeks essays in 'The Dreams our Stuff is made of' hoe het soms misprijsde SF genre de populaire verbeelding heeft gevoed met beelden en ideeën die wezenlijk hebben bijgedragen tot de vorm en inhoud van de culturele en sociale wereld waarin we nu leven. Met zijn bespreking van de historische wortels van het SF gedachtegoed bij Edgar Allen Poe, de feministische SF van de jaren '60 en '70 en het culturele relativisme in onze relatie tot andere beschavingen in wat ooit als pulp fictie werd geboekstaafd, is dit boek een vruchtbare bron voor verdere reflectie over een genre dat ten onrechte uit de hoogte wordt bejegend, maar in feite reeds lang bepalend is voor wat als 'mainstream' wordt benoemd. Enjoy it Boppers.

dinsdag 16 februari 2010

Alternatieve geschiedenislessen van Tarantino en Philip K. Dick

Vorig weekend heb ik ‘Inglourious Basterds’ van Tarantino gezien. Een aantal iconografische scènes blijken enkele dagen later nog steeds als een nabeeld vast te kleven op mijn netvlies. Kleurrijke visuele echo’s schuiven over alledaagse grijze taferelen.

Zijn liefde voor film druipt duidelijk van elke frame. OK, er waren weer wat bloederige intermezzo’s bij, maar het eindresultaat is een feest voor liefhebbers van Tarantino’s cinefiele universum. Beter dan ‘Pulp Fiction’ of ‘Reservoir Dogs’? (Indien dat mogelijk zou zijn.) Nee. Daarvoor zijn de dialogen net niet goed genoeg. De film geeft echter voldoening op een ander niveau door een loopje te nemen met de officiële geschiedenis. De avonturen van Brad Pitt en zijn kompanen spelen zich namelijk af op een alternatieve tijdlijn. Een gekend procédé en literair subgenre: ‘alternate history’.

Zo herschrijft Philip K. Dick in ‘The Man in the High Castle’ een Amerika na de tweede wereldoorlog dat zucht onder een Japans-Duitse bezetting. Dick is verantwoordelijk voor heel wat klassiekers. ‘Do Androids Dream of Electric Sheep’ werd door Ridley Scott verfilmd als ‘Blade Runner’. ‘Total Recall’, ‘Paycheck’, ‘Minority Report’ en ‘A Scanner Darkly’ werden eveneens verfilmd. Allen hebben ze dezelfde onderliggende paranoïde thema’s: het vervagen van de grens tussen realiteit en fictie. Wat is echt, wat is niet echt? Dick zag het verschil ook niet altijd goed. Veel van zijn boeken schreef hij onder invloed van geestesverruimende middelen. Hij had last van visioenen en was er op een bepaald moment van overtuigd dat iemand anders zijn lichaam had overgenomen. Leuk is anders. Doch laat dit geen hinder zijn voor jullie leesplezier. Integendeel. Ondanks het feit dat Dick de ‘I Ching’ gebruikte om de plot van zijn boek te bepalen (!) is het werk een belangrijke alternatieve-geschiedenis novelle die in 1963 de Hugo Award won en door zijn diverse verhaallijnen, plotwendingen en beschrijvingen van een leven onder een totalitair bewind, in ieders bibliotheek thuishoort.

Dus Boppers, maak een kopje geestesverruimende lindethee en laat Dicks verbeelding – al is het maar voor eventjes – de fundamenten van uw realiteitsbesef aantasten.

Hieronder een clip uit ‘A Scanner Darkly’. Eerst werden de scènes gefilmd en daarna overtekend (rotoscoping)wat leidt tot een heel speciaal resultaat en een aangename versmelting tussen vorm en inhoud.

vrijdag 15 januari 2010

Sex with Aliens...

Deze week ‘Avatar’ gezien. Neen, dit is niet de zoveelste bespreking van de nieuwe film van James Cameron, die hard op weg is om met zijn bezoekersaantallen en opbrengsten een aantal nieuwe records te vestigen. Ik ga het hier niet hebben over de 3D technologie die een nieuwe norm lijkt te introduceren voor een rijkere filmbeleving noch over de echte kracht van de film die ligt in de minutieuze recreatie van een geloofwaardige, rijke en waarlijk exotische planetaire ecologie. Daar heeft iedereen ondertussen wel zijn ding al over kwijt. Neen, ik ga het hebben over de seksuele aantrekkingskracht tussen de hoofdpersonages, die het ware enigma van de film uitmaakt. Verrast? U zou het in feite niet mogen zijn. Want denken we hier even over na, dan stoelt deze verhouding tussen de na’vi Neytiri (Zoe Saldana)en Jake Sully (Sam Worthington)op een totaal waanzinnige identificatie. Of niet? In alle geval is hun verhouding het kloppend hart van de film.

Voor de mensen die de film nog niet zouden gezien hebben: De kreupele Jake Sully wordt in het lichaam van een bewoner van de planeet Pandora ‘gedownload’. Klinkt al serieus funky, maar dan moet je ook nog weten dat de planeet bevolkt wordt door een ras van 3 meter hoge, blauwe autochtonen met een staart! In zijn nieuw lichaam (avatar) wordt hij –zoals dat wel meer pleegt te gebeuren in de film – verliefd. Hier springt de vonk over op een lenige blauwe amazone, Neytiri, dochter van de hoofdman van de stam. Dit na’vi meisje ziet er behoorlijk anders uit dan het doorsnee vrouwelijke object van verlangen. Drie meter is dus echt wel groot voor een vrouw, hoor. Je gaat nu wel zeggen, die Jake, die is nu toch ook een na’vi, hij ziet er toch ook zo uit. What’s the problem? Het probleem beste Boppers, is dat de avatar, hoewel van uitzicht dus een blauwe reus, nog steeds de ‘menselijke’ persoonlijkheid heeft van Jake. Een mens die in een ‘menselijke’ (waarmee ik bedoel geen na’vi) psychologie en menselijke architectuur van primaire en secundaire identificaties zijn ‘subject’ en lichaamsbeeld heeft verworven. Dus de kans is zeer klein dat een mens (OK, laten we de seksuele perversies even buiten beschouwing) op iets anders dan een mens zou kunnen verliefd worden. Ik kan u verzekeren dat indien als gevolg van een mutatie plots een meisje zou worden geboren met een katachtig uiterlijk, blauw, met een staart en die opgroeit tot een smurf van 3 meter, ze bezwaarlijk veel aanbidders zal hebben. (OK, opnieuw laten we de perversies buiten beschouwing…)

Je zou nog kunnen opwerpen dat Jake verliefd wordt op een aantal tekens of betekenaars die op Neytiri kleven zoals een manier van bewegen, een oogopslag, een intonatie, een blik, een lach, een bepaalde houding. Maar dan is het duidelijk dat hij juist de interpreteerbare menselijke elementen gebruikt om zijn verlangen aan vast te kleven en enkel door de aanwezigheid hiervan daadwerkelijk zijn object van verlangen binnen Neytiri kan vinden. Met andere woorden, het blijft Jake Sully die verliefd wordt op Zoe Saldana, die Neytiri gestalte heeft via ‘performance capture’. Dus als we zeggen: enkel in de film, dan is dit ook de eenduidige waarheid, Jake kan enkel verliefd worden op de ‘gefilmde’ Neytiri.

Dus het gebeurt in de film en is zo verantwoordelijk voor meer dan twee uur kijkplezier. Als ik zou schrijven ‘kijkgenot’ is het omdat ook ik in Neytiri de menselijke tics van Zoe Saldana herken. Maar het gebeurt niet alleen in de film.

Ook in de literatuur zijn er legio voorbeelden te vinden van cross- specie gerampetamp. Nemen we de onvolprezen Miles Naismith Vorkosigian als eerste voorbeeld. Miles is het hoofdpersonage van de met prijzen overladen ‘Vorkosigan’ saga van Lois McMaster Bujold, een vrijbuiter en huurling, klein van formaat wegens zwakke botten, erfgenaam van een voorname familie en undercover in dienst van de Keizer van Barrayar, moet hij het volledig van zijn persoonlijkheid hebben. Wat hij noemt zijn ‘forward momentum’. In het kortverhaal ‘Labyrinth’ (verschenen in ‘Borders of Infinity’)moet hij het DNA van een gengemanipuleerde soldaat zien te bemachtigen. Die soldaat blijkt een vrouwelijke, katachtige reus te zijn met klauwen en slagtanden, een adolescent met gierende hormonen en aangezwengeld metabolisme, waar Miles uiteindelijk mee van bil gaat. Vooreerst om zijn hachje te redden maar uiteindelijk zal deze act de basis vormen voor een blijvende vertrouwensrelatie. En sergeant Taura wordt vanaf haar rekrutering in het huurlingenleger van Miles niet alleen een hartsvriendin maar ook een lieveling van het grote lezerspubliek van de Vor boeken.

Ook de grande dame van de SF literatuur Ursula K. Le Guin, laat zich niet onbetuigd. In ‘The lefthand of Darkness’ blijkt een planeet bevolkt door een ras die op gepaste tijden van sekse veranderen, en dit zelf ook een beetje kunnen sturen. Van vrouw naar man en terug. De hoofdpersoon, een menselijke ambassadeur moet uiteindelijk vluchten en kan enkel met de hulp van een inboorling ontsnappen. Samen beleven ze heel wat ontberingen en groeien ze uiteindelijk naar elkaar toe. Laten we zeggen dat er iets moois openbloeit.
Dus Boppers, staar jullie niet blind op de na’vi maar wees verrukt in de wetenschap dat de menselijke verbeelding en diens seksueel optimisme letterlijk alle grenzen overstijgt. Sexytime, zou Borat zeggen!

woensdag 16 december 2009

The game is afoot! (2)

Voor vele mensen bestaat Sherlock Holmes echt (sic!) Nog steeds worden bakken post afgeleverd op diens ‘fictieve’ adres: 221B Baker Street. Mark Frost speelt het spel subtieler in ‘The list of Seven’. Dit boek is de eerste roman van de man die samen met David Lynch ‘Twin peaks’ creëerde. Voor Boekenknul kan dit tellen als referentie. Hoofdrolspeler is Arthur Conan Doyle, de geestelijke vader van Sherlock. Nadat Doyle een manuscript heeft ingediend bij een uitgever wordt hij totaal onverwacht het doelwit van een bende criminelen. Bovennatuurlijke elementen dienen zich aan maar plots wordt Doyle bijgestaan door een merkwaardig figuur: Jack Sparks. Een spion en avonturier, een uitermate veelzijdig man die zijn intellect in dienst stelt van de kroon en die uitzonderlijk veel gelijkenissen vertoont met Sherlock Holmes en uiteindelijk Doyles inspiratiebron zal zijn voor diens legendarische detective. Ingenieus vormgegeven en sphincterknijpend spannend is dit een must voor iedereen met een liefde voor de vioolspelende en pijprokende vader van alle detectives.

Of niet? Is Holmes misschien gebaseerd op een eerdere romanfiguur? Heeft Doyle de mosterd elders vandaan? De meest voor de handliggende kandidaat is natuurlijk Edgar Allen Poe’s C. Auguste Dupin, einzelgänger, enigmatisch, koel en berekend, meesterlijk in zijn hantering van de deductieve logica , is Dupin een uitzonderlijke creatie .De persoon die de ‘Murders in the rue Morgue’ oploste en een diplomatiek incident wist te vermijden in ‘The Purloined letter’ kan zonder problemen gelezen worden als een voorloper van Holmes. De wijsneus Dupin heeft zelfs zijn eigen Watson aan wie hij zijn aanpak op een overduidelijke manier uitlegt ten behoeve van de lezer. Poe heeft heel wat schitterende verhalen geschreven. Meester van het macabere, mag hij terecht genoemd worden in één adem met Doyle en andere 19de eeuwse schrijvers die de grenzen van het nieuwe genre aftastten. Ook Agatha Christie kende haar klassiekers, bewijze de verdienstelijke hommage in de figuur van Poirot. (een Belg; geen Fransman zoals Dupin.)

Holmes is echter wel de mal waaruit tal van detectives zijn gemaakt en zijn erfenis is groot. Een massa schrijvers zijn verder schatplichtig aan een figuur die nog steeds postmodernistisch wordt gedeconstrueerd in nieuwe – meestal getroebleerde – incarnaties. De nieuwe lichting speurders houden het vuur brandend. Ik wil jullie zeker niet Jonathan Lethems ‘Motherless Brooklyn’ onthouden. Wezen, gangsters en andere kleurrijke figuren bevolken dit gelaagde universum waarbinnen Lionel Essrog, die lijdt aan het syndroom van Tourette, een moord probeert op te lossen. Hij heeft een massa obsessionele tics (waaronder het moeten aanraken van mensen waartegen hij spreekt) die hij voortdurend probeert onder controle te houden. Dit is niet zozeer een taalkundig truckje om onze aandacht vast te houden maar een onthullende kijk in het chaotisch brein van een persoon die we snel leren waarderen en die verwikkeld is in een ongewoon spannend en bizar avontuur, vechtend tegen zijn talige opstootjes en impulsen. Een aanrader!

Als ik toch nog één uitstapje mag maken naar de film: Gene Wilder, Leo Mckern, Marty Feldman en Madeleine Kahn in ‘The adventures of Sherlock Holmes’ younger brother’, meer moet dat soms echt niet zijn! Hop, Hop the Kangaroo Hop!! De Boppers die weten waarover ik het heb, rollen nu over de vloer van het lachen.

woensdag 2 december 2009

Mash-ups, Cross-overs & Tie-ins....

Mash-ups, cross-overs, tie-ins...er is soms wel iets te zeggen voor deze kruisbestuiving van ideeën en formats. De eeuwige vraag of het boek nu beter is dan de film laten we even buiten beschouwing. Soms kan een verderzetting via een ander medium de oorspronkelijke mythologie uitdiepen en aankleden. Soms kan een verfilming een andere visie in de verf zetten. En soms is een ander medium de betere keuze om iets verder uit te werken. Maar niet zelden is het resultaat niet gespeend van enige onzin en geldgewin.

Vroeger durfde ik me al eens - wanneer ik teveel op mijn honger bleef zitten – op de goedkope paperbacks werpen, die me verdere avonturen uit een geliefkoosd universum beloofden. Lichtgewicht literatuur, snoepjes die de leegte tussen TV-seizoenen of sequels dienden op te vullen. Zo heb ik me bezondigd aan Star Trek romans, X-Files- & Millenium verhalen, maar ook aan de Star Wars boeken…Ik weet het, ik was een junkie…en meestal ontwaakte ik uit deze roes met een indigestie of een lichte vorm van vervreemding en verwarring.

Daarom ga ik al enkele jaren cold turkey en lees enkel nog originele verhalen en romans. Om dezelfde reden lees ik ook geen boeken meer die verder borduren op ideeën van een andere schrijver. Zo heb ik als eeuwige fan van ‘Dune’ de prequels gelezen, geschreven door Brian Herbert en Kevin J. Anderson. Achteraf was ik meer teleurgesteld dan verblijd. Sommige onderdelen van een favoriet verhaal – waarnaar de schrijver slechts zijdelings refereerde, maar die de lont aan het kruitvat van de verbeelding staken en waar niet verder werd op ingegaan – blijven beter onbekend. Liever overgeleverd aan een kwellende onzekerheid die het vliegwiel van de imaginatie verder aanzwengelt dan blootgesteld te worden aan een brutale expositie van een loonschrijver die de mystiek uit het epos doodschrijft. Wat de ‘Dune’ boeken betreft zijn de prequels over de families (House Atreides, Harkonnen en Corrino)nog best te pruimen, maar de andere boeken laat je liever links liggen als je de erfenis van Herbert een beetje wenst te respecteren. De rest van het aanvullend canon lijkt een formulaïstisch-boekhoudkundig resultaat, eerder dan een gestage en boeiende uitbouw van het Duin universum.

Dit gezegd zijnde, wens ik toch een positieve ervaring te onderstrepen. Wie herinnert zich niet het schitterende ‘Twin Peaks’, ontsproten aan het exotische brein van David Lynch: een amalgaam van uitzinnige karakters en plotwendingen en ideeën waarvoor de woorden ‘bizar’ en ‘uitzinnig’ lang niet toereikend waren. Een serie die ons wekelijks met open mond, klamme handen en rechtopstaand nekhaar voor het TV scherm gekluisterd hield. Dale Cooper was mijn held. Hij was de belichaming van een nieuw soort transcendente absurditeit met een eigen logica, een mix van kinderlijke onschuld en doorleefde levenswijsheid, een combinatie van Lynchiaanse dramatiek, Victoriaanse rationaliteit en Gotisch drama. Een soap op speed, een culturele referentiespuiende raamvertelling die overal en nergens naartoe ging. Ik was er gek van. Dus las ik ook alles waar ik mijn handen kon op leggen. ‘My Life, My Tapes’ (as heard by Scott Frost) is een voorbeeld van hoe een tie-in moet zijn. Niet alleen was het een uitdieping van het hoofdkarakter maar het toonde ons ook iets meer van de mysteries waarop de verhaallijn dreef en wat vooraf ging in de Twin Peaks tijdlijn, met een goed gedoseerde expositie die vroeg naar meer. Het was opgesteld in dagboekvorm en de vroege exploten van Dale Cooper en zijn jeugdige wedervaringen zijn zo humoristisch gevat, dat ik soms luidop moest lachen. Dat was een waarlijk bevredigende leeservaring. En het is toch dat, beste Boppers, waar we steeds naar op zoek zijn, waar we telkens weer op hopen als we een nieuw boek openslaan?

maandag 23 november 2009

Once more with feeling.....

In den beginne was er het woord. En het woord was goed. Het woord gaf ons leven. Want alles start met een verhaal. Een verhaal waarin mensen zich herkennen, een verhaal dat begeestert, waarin je jezelf letterlijk kunt verliezen. Soms is het spannend en meeslepend, soms is het leerrijk en verhelderend en leert het ons iets over onszelf. De beste verhalen zijn een combinatie van beide.

Maar een verhaal is niet genoeg. De gebeurtenissen moeten gedragen worden door karakters van vlees en bloed. Karakters met een achtergrond en een persoonlijkheid, een insteek en motivatie, geen bordkartonnen instrumenten ten behoeve van de plot, geen vrijblijvende plotmastiek. Maar dit is nog niet alles. Er is nog een derde element: dialoog. Wat ook de vorm is waarin men het verhaal vertelt (boek of film), het is de gehanteerde taal die ons uiteindelijk als een vis aan de haak het verhaal binnen trekt...willens nillens. Dialoog is de uiting van karakter, het stuwt de ontwikkeling van het verhaal, het maakt het verschil tussen geloofwaardigheid en oppervlakkigheid. Goede dialoog, geschreven door een schrijver (Stephen King, Elmore Leonard, Quentin Tarantino,…) met een oor voor spreektaal is een vrijkaart voor een topopvoering. Alles start dus met de schrijver. Met de creativiteit en het metier van degene die het verhaal of het script op papier zet.

Daarom heb ik een grote waardering voor mensen zoals Joss Whedon. Verantwoordelijk voor 7 seizoenen van ‘Buffy the Vampire Slayer’ (8 seizoenen als je de ‘comics’- continuatie meetelt) heeft hij met elke aflevering het Olympisch minimumniveau voor kwalitatieve TV shows ietsje hoger getild. Met elke aflevering ging je meer van de personages houden, en ondanks mijn grote afstand tot de demagogische doelgroep, werd ik langzaam en zonder verweer ondergedompeld in de ‘Buffyverse’. De show werd gekenmerkt door creatieve verhaallijnen, een frisse wedergeboorte van de oude vampierenmythologie, sprankelende dialogen en extreem grappig taalgebruik (Does anybody feel like they have been Keyser Sozed?) en een supercast! Een aantal memorabele afleveringen springen er toch uit. ‘The body’ een hartverscheurend en ingetogen confrontatie met de dood van haar moeder, ‘Hush’ een kippenvel inducerende horroruitstap zonder woorden en ‘Once More with feeling’: alles wat goed was aan Buffy, maar dan onder de vorm van een musical !!

Whedon liet het daar niet bij. Zijn volgende project, ‘Firefly’, ging over een groep vrijbuiters die uit de klauwen probeert te blijven van een centraal gezag met fascistische trekjes. Gesitueerd in een niet nader bepaalde toekomst vliegen ze space-opera gewijs van de ene uithoek van het heelal naar de andere. Maar hier opnieuw is de setting maar een excuus om goede (universele) verhalen te vertellen, gekenmerkt door een subtiele en uitgewerkte karakterontwikkeling. Helaas is deze show na 16 afleveringen ter ziele gegaan. Het is een terugkerend zeer bij genreshows dat de netwerken zeer snel een show aborteren wanneer de kijkcijfers tegenvallen. Vroeger werd een show nog de tijd gegund om langzaam een publiek op te bouwen. Maar die tijd zijn we intussen ook voorbij. Gelukkig had Firefly een grote schare fans en Whedon kon met de film ‘Serenity’ toch nog een en ander van zijn verhaalontwikkeling afronden. Maar helaas niet alles, en de fanboy in mij is uitermate ontstemd en bedroefd over de tal van mogelijke Firefly-avonturen die hierdoor ontbeerd moeten worden. Whedon lanceerde dan maar een hilarische webmusical ‘Dr. Horrible’s Sing-Along Blog’.

Daarna kwam hij terug naar televisie met ‘Dollhouse’, ook bij ons te volgen op 2BE, maar ondertussen reeds gesneuveld in de US tijdens het tweede seizoen. Het netwerk trok er de stekker uit. Ik heb een aantal afleveringen bekeken en het afvoeren van de show doet me weinig. ‘Dollhouse’ werkte niet voor mij. En ik vraag me af waarom Whedon, genie dat hij is, een van de grootste verhalenvertellers van het laatste decennium, niet heeft ingezien waarom. Omdat de premisse van de show ingaat tegen één van zijn basisstellingen. Je moet je namelijk kunnen identificeren met de hoofdpersonages. En dat gaat zeer moeilijk als de hoofdpersoon iedereen week telkens een andere persoonlijkheid krijgt ‘gedowndload’ en de rest van de karakters – pardon my French – (bijna)beuzakken zijn. De personages uit ‘Buffy’ & ‘Firefly’, daar had je graag bevriend mee geweest. Maar het kon me niet schelen wat er met die gasten uit ‘Dollhouse’ gebeurde…Dat is een regel met een heel breed toepassingsveld. Zo lees ik ook met node een roman uit waarvan ik het hoofdpersonage niet kan luchten….life’s too short for that, you know.

Voor Joss is nu de maat vol. Hij wil zich concentreren op Film en Internet, misschien nog comics…Hij zal wel een uitlaatklep vinden om zijn ding te doen. We hebben het volste vertrouwen in zijn kunnen en in zijn onbeheersbare drang om verhalen te vertellen. Komaan Joss, once more with feeling…

woensdag 7 oktober 2009

Ik weet het...ik lees de krant!

Ik las vorig jaar in de krant een artikel over de bijen die aan het verdwijnen zijn. Vandaag lees ik dat Douglas Couplands nieuwe boek (Generation A) dit als een plotelement gebruikt. Andere onheilstijdingen vanuit die grote vreemde ‘Andere’ die de natuur is: overstromingen zijn een directe weerwraak op ons overmatig ingrijpen in het bio-evenwicht. Uitzinnige stormen, verstoorde regenval, verschraalde biodiversiteit, de met Armand Pien merkwaardig verdwenen straalstroom en het schandknaapje voor alle kwaad: el-ninjo, je kunt de krant niet openslaan of je wordt ermee om de oren geslagen.

In de laatste film van M. Night Shyamalan nemen de bomen en planten zelfs wraak op ons door middel van toxische secreties waardoor we ons massaal als lemmingen de dood in storten. Het lijkt wel of de natuur onze maatschappij nabootst. De huidige nieuwsgaring verbindt natuur en cultuur op een nooit geziene wijze, als een moebiusband, een groteske steeds uitdijende topologie van een spatiaal zelfbewustzijn in een kluwen van betekenaars van waaruit niet te ontsnappen valt. Want net zoals in de natuur, is ook in de samenleving sprake van een verstoord evenwicht, van het opduiken van uitzonderlijke excessen. De krant opnieuw: er is een serieverkrachter opgepakt…met voorbinddildo, akelig masker en een groot mes. Je zal die maar eens tegenkomen tussen donkeren en klaren. (tijdens overmatige regenval) Het lijken in scène gezette ‘events’ die naast hun uitermate wrede en ‘onmenselijke’ karakter daarbij nog een boodschap lijken uit te dragen, bijeengelapt uit verwrongen culturele referenties, een hyperrealistische onsmakelijke grap. Scream! Ander onwezenlijk element: elke dag sterven er kinderen door gebrek aan voedsel en hygiëne. Schrijnend natuurlijk, maar nog schrijnender is een van de redenen die in het artikel opgegeven wordt om deze toestand te verhelpen: door de hoge kindersterfte hebben we een productieverlies van x aantal miljard dollars in onze Global Marketplace; en dat kan natuurlijk niet. Wie nu nog niet het zuur in zijn keel voelt opborrelen…Er zijn momenteel heel wat projecties van onze gedeelde culturele angsten en excessen aan de gang op het onschuldige scherm van moeder natuur.

Op de keeper beschouwd zijn we wellicht wel de bomen, bloemen en de bijtjes aan het decimeren, maar er is een diepere waarheid. En die is dat we dit als een schouwtoneel gebruiken waarbinnen we onze angsten en onrust opkloppen, waarin we als het ware een soort van gezamenlijk schuldbesef aan het creëren zijn, als een soort van ultieme uitlaatklep voor het onbehagen in onze maatschappij. Op een perverse manier ligt daarbij nog in het effectieve lozen, kappen, verbranden, en bespuiten nog eens de bevestiging van die schuld en het appel op een soort van vervangende gemeenschapsstraf, als een impotente ‘Beagle’ die in de voetsporen van Darwin (tv-gewijs) - een en ander poogt recht te zetten…Dus beste Boppers: op een bepaald moment zal het percentage horrorberichten in de krant er voor mij te veel aan zijn en zeg ik mijn abonnement op. Helaas is het stoppen van de vingers in de oren niet altijd een gepaste reactie.

dinsdag 15 september 2009

The call of the Wild...

Gisteren een uitstekende film mogen meepikken: ‘Into the Wild’ gebaseerd op het gelijknamige boek van Jon Krakauer uit 1996. Film en boek verhalen het leven van Christopher McCandless, een jongeling uit een begoede familie, die eenmaal afgestudeerd, al zijn geld aan Oxfam schenkt en beslist om onder de naam ‘Alexander Supertramp’ in de vrije natuur te gaan overleven. Na een tijdje te hebben rondgetrokken doorheen het westen van Amerika trekt hij noordwaarts naar Alaska waar hij midden het imposante landschap – en moederziel alleen - probeert te overleven. Hij slaagt daar aardig in tot hij na het eten van een giftige plant ziek wordt en sterft. Helaas nog in het besef dat geluk maar waarde heeft als het gedeeld wordt…

Vanwaar deze drang naar avontuur? Dit onbedwingbare appel vanuit de natuur dat ons doet dromen van ongerepte vista’s en een buitenleven in harmonie met het ritme van de seizoenen. Deze lokroep naar verre einders, helder bronwater en nachten onder imposante sterrenhemels? Dit voortdurende trekken aan de uitgerafelde randen van ons bestaan, van een utopie die toch oplost onder geconcentreerde aandacht maar altijd aanwezig is, als jeuk die je niet kunt krabben. Deze verzuchting naar een leven niet gemedieerd door reclameborden, niet gedirigeerd door de prikklok, niet gearchiveerd door Outlook? Niemand is hier geheel immuun voor. Van de liefhebber van de programma’s van ‘National Geographic’, over de weekend wandelaar in de bossen en natuurparken tot de bergbeklimmer-avonturier voor wie het allemaal een beetje meer mag zijn. Voor die laatste groep kan de opgebouwde stress in de kop maar een uitweg vinden middels een hevige en directe confrontatie met de natuur, een soort van euforische trepanatie met behulp van stijgbeugels, ijshouwelen of klimtouwen. Ik reken me niet direct tot dit clubje, daarvoor hou ik teveel van mijn leeszetel, maar toch moet ik – sinds ik als klein manneke de albums van Bessy verslond –af en toe een avontuur beleven.

Alain Hubert en Dixie Dansercoer, onze nationale helden en bekende poolreizigers beschrijven in ‘De tanden van de Wind’ hoe ze op 100 dagen tijd Antarctica overstaken. Geplaagd door blizzards, materiaalpech en vermoeidheid maar ook betoverd door de gestileerde schoonheid van de ijsvlaktes, bereiken ze uiteindelijk hun doel. Een aantal jaren terug greep ik dan ook snel de kans om met Dixie en een aantal andere gelukzakken een sneeuwtocht te maken in Spitsbergen. ’t Was wel de Noordpool niet maar het kwam al aardig in de buurt. Een slede achter je aan trekken, een zon die niet onder gaat, tentje opzetten in de geselende wind, verkleumd je potje koken, ’s nachts op de uitkijk staan voor ijsberen. Het was een unieke ervaring. Helaas konden we toen al de gevolgen van global warming vaststellen, een te vroege dooi, te hoge temperaturen voor de tijd van het jaar…maar toch een goede proeve van hoe een reis over de pool moet aanvoelen.

In ‘The mammoth book of the Edge – an anthology of climbing adventures’ lezen we een aantal van de grootste successen en tegenslagen uit de geschiedenis van het bergklimmen. Weer kon ik me niet inhouden. Ik moest het zo nodig zelf proberen en beklom onder leiding van berggids Jan Vanhees, de Mount Blanc. Die beklimming gebeurt in fases. Een eerste deel tot aan de refuge du Gouter op 3.800 meter, niet zo moeilijk, gewoon op het eind een beetje rotsklimmen. Daarna een korte overnachting op de vloer van een overvolle refter. Tenslotte om twee uur ’s morgens opstaan en in het donker, onder een snijdende wind naar de top vorderen. De lucht is wat ijler, dus dat is even doorbijten maar de beloning kwam voor ons om 8 uur ’s morgens onder de vorm van een bijna wolkenloze hemel, een stralende zon en een zicht van op de top (4.800 m) dat je letterlijk de adem beneemt. Daarna in 8 uur terug naar beneden. Ik heb me sindsdien nooit niet meer zo moe en zo voldaan gevoeld.

De verre einders lokten ook Ewan McGregor en Charley Boorman. In ‘Long Way Round’ getuigen ze van hun epische trek rond de wereld op hun motorfietsen. Na bijna 4 maand en 30.000 km te hebben gereden over de meest moeilijke modderpaden, aardewegen, pokdalige tarmac en een oneindige reeks van putten en bulten, komen zij ook moe en voldaan over de eindstreep. Nee, deze heb ik niet nagedaan beste Boppers. Tenzij in afgezwakte vorm. Jaarlijks teken ik met twee vrienden een motorrit uit doorheen een van onze buurlanden. Dan rijden we vier dagen lang op onze motor van hot naar her langs de meest pittoreske delen van het Europese wegennet. Er is iets verslavend, zo niet hypnotiserend in het volgehouden afmalen van kilometers, doorheen een veranderend landschap, enkel vergezeld van het zachte ronken van de motor, het ruisen van de wind en de geur van gras, bos en akker…Maar daarover meer in een volgende post. Ondertussen dromen we verder en teren we nog even op de fotoboeken…

dinsdag 7 juli 2009

Het Reële en de Aliens in ons...

Peter Watts (de schrijver, niet het fictieve personage uit de onderschatte en te vroeg ter ziele gegane TV serie ‘Millennium’) heeft met ‘Blindsight‘ zijn vijfde boek afgeleverd. Een niet onaardige poging om First Contact met buitenaardse aliens te beschrijven. Van opleiding marinebioloog, had hij in zijn debuutroman ‘Starfish’ uit 1999 een ganse menagerie aan exotisch diepzeeleven laten opdraven, waarvan de - in de echte wereld bestaande - specimens de grenzen van de verbeelding met verve aftastten. Met ‘Blindsight’ heeft hij echter alle stoppen uitgetrokken, recente inzichten in een veelheid van wetenschapsdomeinen tot ver buiten hun initiële stellingen geëxtrapoleerd en een alien gecreëerd de term waardig. Geen ‘Star Trek’ alien gebaseerd op een menselijke template, noch een knuffel-ET, maar een ‘ding’ dat ons begripsvermogen overstijgt. Dat gaat reeds een heel eind in de goede richting om ons te entertainen maar geeft ook aanleiding tot een fundamentele vraagstelling. Wat is ‘Alien’? Wat als iets nu waarlijk vreemd is aan onszelf, zo vreemd dat we er geen woorden voor hebben, zouden we het dan met symbolen proberen te omsingelen of zouden we, overmand door angst de andere kant uit rennen, op zoek naar de uitgang? En wat als het ‘vreemde’ nu eens enkel bestond in onszelf en niet buiten ons?

In de psychoanalyse spreekt men over het Reële (niet te verwarren met de realiteit die uiteindelijk maar een construct, een model is) als datgene wat niet in woorden kan gevat worden, wat niet door de taal beheersbaar kan gemaakt worden. Het is in essentie een gapende kloof waarbinnen elke betekenis verdwijnt. Dit ‘tekort ‘ installeert ons als verlangende subjecten die middels een fantasme of wensdroom een verloren gegaan object terug binnen willen halen. Het is wat ons bij uitstek menselijk maakt. Dit steeds verschuivende verlangen maakt dat we verliefd worden en houdt ons de spiegel van totaal geluk en genot voor. Het maakt dat we op de lotto spelen en mensen op de maan zetten.

Maar het Reële fundeert ook de angst, waardoor elke angst verwijst naar het fundamentele afgrijzen door die betekenisloze kloof te worden opgeslorpt, zichzelf letterlijk – en letter voor letter - hierin te verliezen. Slavoj Zizek beschrijft het beter dan ik in ‘Schuins beziend’ zijn unieke analytische lezing van een aantal hedendaagse cultuurproducten. Zo haalt hij het SF kortverhaal ‘The unpleasant profession of Jonathan Hoag’ van Heinlein uit 1942 aan, waarin het hoofdpersonage uiteindelijk op het mythische dertiende verdiep wordt toegelaten en er te horen krijgt dat binnen onafzienbare tijd de ‘wereld’ zal herschreven worden en aangeraden wordt op dat specifieke moment vooral niet naar buiten te kijken. (Yeah, right!) Onderweg naar New-York gebeurt het onvermijdelijke: hij draait het autoraampje naar beneden en wordt geconfronteerd met een soort grijze kolkende ‘afwezigheid’ die hem de stuipen op het lijf jaagt. Datgene waar geen woorden voor zijn, valt dus onherroepelijk onder de mantel van de horror.

Andere kunstenaars hebben dit op hun eigen manier vorm proberen te geven. David Lynch met ‘Lost Highway’ waar de scènes op het strand onder de schaduw van het Reële vallen en een ‘unheimlich’ gevoel creëren dat bijna onhoudbaar wordt. Of neem Stephen King, met bepaalde stukken uit de Dark Tower cyclus. We herinneren ons toch nog Blaine, het op hol geslagen psychotische brein dat de trein bestuurt waarin onze helden zitten opgesloten? (Blain’s a pain and that’s the truth!) Of bepaalde flarden muziek van CocoRosie die als een ritmische bezweringsformule een barrière proberen op de werpen tegen een niet aflatende en voortkruipende angst?

Een ander kenmerk van echte horror zoals vormgegeven door het Reële, is dat het steeds als een plotse en onverwachte aanval op ons afkomt, zonder verklaring, zonder woorden en ontoombaar zoals een op hol geslagen trein (Blaine opnieuw). We kunnen er ons moeilijk aan onttrekken en worden als het ware in een draaikolk meegezogen. De confrontatie met horror is dus een confrontatie met een afwezigheid in ons, een alien-in-ons, die ons onnoemelijk meer angst inboezemt dan de alien-buiten-ons.

Tenzij die alien zich aandient in het culturele veld, handig vormgegeven door de successchrijvers van het genre. Wat ironisch is, want het is juist de taal, dat reservoir aan betekenaars dat ons als sprekende en verlangende wezens fundeert, die door de onvermijdelijke gaten in het spinnenweb van woorden waarmee we de wereld proberen te vangen, ons zo ontvankelijk maakt voor die angst. In afgezwakte versie best genietbaar in boek en film daar die juist een extra talige bescherming vormen tussen onszelf en …de alien within. Dus beste Bopper, weet dat je vannacht niet alleen bent, wanneer je wakker schrikt bij het horen van een verdacht geluid uit de woonkamer…

zaterdag 6 juni 2009

Movie Magic !

Ik kreeg het deze week eventjes benauwd. Men gaat ‘Hyperion’ van Dan Simmons verfilmen. Ik ga het niet over dit boek hebben, dat is stof voor een andere post. Het volstaat aan te geven dat dit magistrale boek, een enigmatische en ontroerende raamvertelling vol knetterende ideeën en virtuoze sfeerschepping, één van mijn all-time favorites is. Hoeft het gezegd dat ik mijn hart vasthoud bij het anticiperen van het resultaat.

Want laten we eerlijk zijn, slechts weinig (SF) boeken vertalen goed naar het scherm. En niets houdt zoveel risico in als een boekverfilming of de remake van een eerder succes. Maar nog steeds trekken wij fans en liefhebbers met ongefundeerde verwachtingen en blije hoop naar de filmzaal, er van overtuigd dat ditmaal ons geliefkoosd boek (dat reeds een eigen leven is gaan leiden in onze verbeelding) zijn vele nuances, pakkende beeldspraak, beklijvende personages en weidse panorama’s mee heeft genomen in zijn metamorfose naar het witte doek. Het resultaat valt dikwijls tegen. Nochtans blijven we met een zekere hondse volharding hopen op beter. We zijn zelfs bereid hier en daar wat zaken door de vingers te zien om wat langer te kunnen verblijven in deze wereld, oorspronkelijk zo mooi vorm verleend in ons boek. Wat we hierbij veelal vergeten, is dat in deze sprong naar pelicule, het literaire materiaal nogal wat filters en mallen dient te passeren. Zo wordt het verhaal gekleurd door het fantasme van de regisseur, het verlangen van de scenarioschrijver, de blik van de belichter, ….inclusief de ambities van de studiobazen en marketinglui.

Het mag daarom een wonder heten dat het soms lukt (Lord of the Rings). Meestal is het resultaat onevenwichtig (Dune, Starship Troopers, I am Legend) of ronduit bedroevend. Oorzaak hiervan is, dat de wereld waarin het boek ons onderdompelt bij uitstek wordt gecreëerd door de subjectieve en individuele verbeelding van de schrijver EN van de lezer, waardoor het reeds van bij de aanvang verkleeft met onze eigen unieke manier waarop wij in het leven staan. Geen enkele film (resultaat van een collectief) kan hier tegenop. Elke verfilming draagt dus steeds het risico in zich dat het wordt opgevat als een krenking, een belediging aan het adres van onze verbeelding en dus onvermijdelijk ook van ons zelf. En dan krijgen de arme regisseur en scenarist het in de forums zwaar te verduren. Maar het kan ook anders. Wat wanneer film vertrekt van een blank canvas? Wanneer het gebaseerd is op een origineel script? Als ik mezelf als steekproef (n=1) neem (maar dan mag ik ook niet lichtvoetig extrapoleren) moet ik besluiten dat een film soms zwaarder doorweegt dan een boek. Dat een film me soms dagen in de ban kan houden, me echt gevangen kan nemen in het verhaal, me echt bij de keel kan grijpen op een manier waarop een boek dat niet kan. Hoe is dit mogelijk? Moet ik nu de naam van deze blog veranderen in ‘De Filmknul’? Have no fear, beste boppers. Het zal zo’n vaart niet lopen.

Maar neem nu ‘Mulholland Drive’ van David Lynch. Visueel en narratief begeesterend met een soundtrack die deze ervaring zowel aanvult als versterkt, zoals de slagroom op een Dame Blanche. Ik heb deze film nu meermaals gezien en nog steeds word ik meegezogen in die prachtige draaikolk van beelden en emoties. (De ontmoeting met de ‘cowboy’ op een verlaten donkere ranch, de scène met de cappuccino, de jongeling die in de ‘diner’ aan zijn vriend zijn nachtmerrie vertelt,…) Spreek ik dan nog niet over de knappe structuur waarin het eerste deel van de film na weken nadenken plots begrijpbaar wordt (in de mate van het mogelijke, het is nog steeds Lynch) als spiegelopstelling van het tweede deel zolang je de juiste semantische sleutel maar hanteert. Ik heb nog steeds geen boekequivalent gevonden voor deze soort filmervaring. Als psycholoog kan ik een mogelijke, hoewel dogmatische, verklaring aanbieden. Een boek leest men, naar een film moet je kijken en luisteren. Het manipuleert op een veel directere manier de ervaring omdat het twee objecten van verlangen in de strijd kan werpen, wat het boek niet kan. Namelijk de blik en de stem. Het zijn vehikels van het verlangen. We kunnen erop verliefd worden…een bepaalde manier van kijken, een bepaalde klankintonatie en we zijn verloren….En daarom beste boppers, kan film ons danig vatten en - soms – een streepje voor hebben op een boek. Movie Magic indeed!

woensdag 6 mei 2009

Vertel me een verhaal...Over Audioboeken.

Ik heb de boot lang kunnen afhouden. Audioboeken, is dat niet lezen voor sissies, voor mensen die de inspanning niet kunnen opbrengen een boek vast te nemen en letters aan elkaar te rijgen? Luisteren in plaats van lezen, dat is toch willen genieten van een boek zonder ervoor te hoeven betalen met mentaal pasgeld? Ik geef toe, hier komt mijn West-Vlaamse ‘noeste arbeid’ –reflex boven, alsof deze ethiek zijn schaduw over zoiets relaxerend als het lezen zou kunnen werpen. Want hebben we vroeger niet allemaal audioboeken gekend onder de vorm van een voorleesouder? Een verhaaltje voor het slapen gaan, hoe leuk was dat niet? Ook de act van het voorlezen of vertellen aan vrienden of een geliefde is ‘audioboeken’ avant la lettre. Dus is het luisteren naar een verhaal (wat een boek in essentie is) ons zo vreemd nog niet. Wat hield me dan zo lang tegen? Een vermoeden dat, wanneer je het zelf niet leest, het niet meetelt? Dat de ervaring van het luisteren op een of andere manier vluchtiger en meer vrijblijvend is dan het lezen? Een boek lezen, kun je vergelijken met een huwelijk, een luistersessie met een avontuurtje.

En toch…zowel luisteren als lezen is niets anders dan een elektrochemisch proces in de hersenen dat visuele of auditieve signalen omzet in betekenis en emoties. De gelijkenissen tussen beiden lijken dus na reflectie groter dan de verschillen. Er zat maar één iets op. Ik moest een experiment opzetten. Zo gezegd zo gedaan. Ik koos twee klassiekers die reeds lang op mijn leeslijst stonden, zette ze op de iPod en liet me een week lang voorlezen. Hier is het resultaat.

Audioboek 1: ‘The Old Man and the Sea’ van Ernest Hemingway. Gepresenteerd door audible.com, voorgelezen door Donald Sutherland. Beluisterd: in de file. Santiago, een oude Cubaanse marlijnvisser heeft de laatste tijd niet veel geluk. De vangst blijft uit, de onzekerheid neemt toe. Kon hij nog maar eens een grote vis vangen….En dan lijkt het tij te keren, hij slaat de moeder aller marlijnvissen aan de haak. Het epische gevecht tussen oude man en vis – dat zich ook als metafoor laat lezen - duurt meerdere dagen. Hoe het uiteindelijk afloopt en wat het lot voor Santiago in petto heeft, wordt op meesterlijke en ingetogen manier door Hemingway geschetst in zijn gekende spaarzame, vitale stijl. Zijn afgemeten en precieze beschrijvingen verlenen aan een alledaagse handeling het patina van een heldendaad. Het warme timbre van Sutherlands rustige stem, die de berusting en hoop van Santiago gepast weet te beklemtonen, verleent extra diepgang aan het verhaal. Lezen of luisteren. Het kon me allemaal niet meer schelen…ik zat met Santiago op zijn kleine boot mee de haaien op afstand te houden.

Audioboek 2: ‘The Outsiders’ van S.E. Hinton. Gepresenteerd door audible.com, voorgelezen door Jim Fyfe. Beluisterd: in de file. S.E Hinton schreef deze klassieker over de ‘greasers’ Dallas (Dally), Two-Bit, Steve, Ponyboy, Johnny, Darrel en Sodapop en hun perikelen met de ‘Socs’, de rijkeluiskinderen, toen ze zestien was. Het verhaal gaat over uitsluiting, klassenverschil, adolescentieangst en opgroeien aan de onderkant van de samenleving. Het boek werd in ‘83 vakkundig verfilmd door Francis Ford Coppola met Diane Lane, Matt Dillon, Patrick Swayze, Rob Lowe, Emilio Estevez, Tom Cruise, C. Thomas Howell and Ralph Macchio in de hoofdrollen. Dillon is gewoon fantastisch als Dallas. (What’s going on ? Nothing legal man…) Thema’s die verder aan bod komen zijn kameraadschap, opoffering, bewustwording en hoop.
De krachtige narratieve ‘ik’ structuur (we zien alles door de ogen van Ponyboy) en de rake typering van de greasers, sleuren je snel het verhaal binnen. Als ook hier de voorlezer subtiel zijn stem gebruikt om de karakters te animeren, dan behoeft het geen betoog dat deze luisterervaring opnieuw een goeie was.

Dus: dit smaakt naar meer. Het enige dat ik wil opmerken is dat je met een boek makkelijker kunt teruggrijpen naar een vorige passage en dat je al luisterend soms sneller afgeleid bent dan al lezend, maar dit kan persoonlijk zijn. In alle geval heb ik mijn statistische kans op een bumperkus in de file alweer wat verminderd. En dat beste Boppers, kan niet slecht zijn.

dinsdag 14 april 2009

Old Skool SF

Je moet ervan houden. Golden Age SF uit de jaren 1930 - 1950. Toen ruimteschepen nog fallisch herkenbaar waren en de helden mannen uit één stuk die schone deernes redden uit de tentakels van de verschrikkelijke aliens van de planeet Zog. Alles wat ik ken, heb ik geleerd uit die boeken. Ik was een van de astronauten te midden van een desolaat marslandschap bezaaid met de trieste resten van een verdwenen beschaving en leerde meer over eenzaamheid en afscheid van Ray Bradbury dan van wie ook. (‘The Martian Chronicles’). Alfred Bester leerde me grote organisaties wantrouwen en ik zag hoe wraakgevoelens een mens kunnen veranderen en hoe men volledig hierdoor verteerd, toch nog een staat van genade kan vinden (‘The Stars my destination’). Ook maakte ik wereldreizen op exotische planeten, leerde vreemde gebruiken, talen en mensen kennen van Jack Vance en leerde verdraagzaamheid (Big Planet). Je bent jong en beïnvloedbaar en die staat van opwinding, begeestering en verwondering bij het lezen van die uitheemse avonturen… die is ongeëvenaard.

Ah, die regenachtige namiddagen toen ik thuis naast het haardvuur lag met de hond en ik boek na boek verslond. Maar je wordt ‘volwassen’ en een beetje van die oorspronkelijke luister en onversneden gloed van het genre verdwijnt. Begrijp me niet verkeerd. Ik ben SF blijven volgen en ben best blij dat mijn ‘sense of wonder’ niet al te veel is afgestompt. Maar die eerste ervaringen, die blijf je meedragen. Daarom heb ik een zwakte voor oude SF. Om dezelfde reden hou ik van de originele Star Trek episodes. Met het risico dat sommigen wellicht de wenkbrauwen zullen fronsen, moet ik toegeven dat ik onlangs op een managementopleiding voor ‘grootste rolmodel tijdens mijn jeugd’, James T. Kirk heb neergeschreven. OK, een beetje lolbroekerij is me niet vreemd maar alle gekheid op een stokje: Kirk was besluitvaardig, rechtschapen, moedig, kapitein van een ruimteschip… En dan zwijgen we nog over het vrouwelijk schoon dat zich elke week voor zijn voeten wierp, waaronder de onder fanboys zo geliefde Orian Slave girls…


Daarom ben ik uitermate blij dat Heinlein terug is opgestaan. Inderdaad Robert A. Heinlein, het grote boegbeeld van ‘The Golden Age of SF’ is terug en hij noemt John Scalzi. Hoe dikwijls heb ik niet met Johnnie Rico uit een combat shuttle mee gesprongen om de ’bugs’ te gaan bestrijden in ‘Starship Troopers’. Dit weekend sloeg ik met een grote zucht van voldoening het laatste blad om van ‘Old Man’s War’ van John Scalzi. Korte inhoud: de toekomst, de mensheid heeft reeds heel wat planeten gekoloniseerd maar is helaas continu in oorlogen verwikkeld met aliens van allerlei pluimage om nieuwe levensvatbare planeten binnen te rijven of van elkaar af te nemen. Oude knakkers met een minimumleeftijd van 75 jaar, kunnen dienst nemen in het koloniale leger en worden na een ‘medische behandeling’ als superfitte soldaten in de strijd geworpen. Na hun ‘tour of duty’ – indien ze die overleven want de overlevingskansen zijn extreem laag – krijgen ze een stukje land op een of andere planeet om zich daar als kolonist te vestigen. Het gegeven is aantrekkelijk in die zin dat je hier soldaten hebt die allemaal een levenswijsheid van 75 jaar of meer achter de kiezen hebben, wat aanleiding heeft tot soms nogal grappige - en minder grappige- beschouwingen te midden van al die ellende. Het leest als een trein. Debet hieraan zijn de eerste hoofdstukken, waarin al die oudjes door hun behandeling en training moeten en een aantal technologische toekomststaaltjes zoals een supergevechtsuitrusting… net zoals bij Heinlein. Alles keert terug.

’Old Man's War’ is het eerste deel van een trilogie. De buzz is dat de latere delen het niveau van het eerste niet halen. Maar dat zal ik zelf wel onderzoeken. So, stay tuned Boppers.

zaterdag 4 april 2009

Over katten en honden...

Deze ochtend had ik een discussie met een collega die zei dat je niet een kattenpersoon en een hondenpersoon kunt zijn. Die voorliefde voor katten en honden ligt blijkbaar genetisch en onvoorwaardelijk vast. Mmmm…ik denk het niet. Er bestaat minstens één persoon die van hondenman naar kattenman is geëvolueerd. Mezelf! Ik hou van de blaffende viervoeters en ben opgegroeid met een schat van een labrador. Maar gebeurtenissen hebben me een beetje een andere kant uitgeduwd. Vooreerst heb ik nu meer dan voldoende honden achter me aan gekregen tijdens het joggen. (Hij bijt niet hoor!) En ten tweede heeft zich vorig jaar een zwerfkat in ons huis gevestigd die iedereen met gemak rond zijn poot windt. Soort: Felix Vulgaris, maar met meer charme en persoonlijkheid dan dat ik in een kat voor mogelijk hield. Op den duur ga je onvermijdelijk je huisdier menselijke trekjes toedichten. In de wondere wereld van de literatuur gaat men – natuurlijk - nog een stapje verder.

In ‘A boy and his dog’ een film uit 1974 met de piepjonge Don Johnson in de hoofdrol en gebaseerd op een novelle van Harlan Ellison (tevens schrijver van het oorspronkelijke script voor ‘City on the Edge of Forever’ (Star Trek - seizoen 1, door velen geroemd als de beste TOS aflevering, waarvoor respect!) is de hoofdrol toebedeeld aan een telepathische, popcorn etende en moppentappende hond genaamd ‘Blood’. Samen met baasje Vic (Johnson) die hij eigenlijk als zijn protegé beschouwd en de enige persoon die Blood kan ‘horen’, beleven ze de wildste avonturen te midden van een postapocalyptisch landschap (kernoorlog) terwijl ze op zoek zijn naar voedsel, water, popcorn voor Blood en meisjes voor Vic (18 jaar en gierende hormonen) en terwijl ze proberen uit handen te blijven van bendes bandieten en mutanten. (Je typische SF post-nucleaire bevolking, quoi.) Blood en Vic zijn afhankelijk van elkaar voor hun overleving en hun innige band verleent de film meer spankracht dan de korte inhoud doet vermoeden.

David Weber, bedenker van de ‘Honorverse’, de ongelooflijk gedetailleerde wereld waarin Admiral ‘Lady’ Dame Honor Harrington allerlei avonturen beleeft in de ‘Royal Manticoran Space Navy', moet een kattenpersoon zijn. Onze heldin – een geüpdate Horatio Hornblower - is immers continu vergezeld van de kat Nimitz (meer een soort boomkat met 6 poten) die voorzien is van een imposant setje klauwen en een meer dan onmenselijke reactiesnelheid. En – o ja – Nimitz en Honor delen een diepe telepathische band. En waar Blood van popcorn houdt, heeft Nimitz dan weer een voorliefde voor selder.

Andere voorbeelden zijn legio. Wat spreekt hier nu eigenlijk uit? De inherente dwang van de mens om alles te ‘antropomorfiseren’? (Laten we het dan nog niet hebben over computers en machines die menselijke trekjes, intelligentie, persoonlijkheid of wilsbeschikking worden toegedicht in het SF canon en in de echte wereld.) Of dat onze genetische ‘hardwired’ empathie zich niet beperkt tot onze eigen soortgenoten?

Wie weet Boppers? Misschien zijn we wel jaloers op het genot dat zo makkelijk door onze huisdieren wordt bijeengebedeld en waar ze zich zo schaamteloos kunnen aan overgeven. Al ooit eens een spinnende kat of extatische hond zich in allerlei wulpse bochten zien kronkelen tijdens het kopje krabben?