Pagina's

Posts tonen met het label reizen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label reizen. Alle posts tonen

zaterdag 24 januari 2015

The Thousand Autumns of David Mitchell

Total immersion in 18th century Japan from the perspective of Dutch VOC traders? A distinct possibility when you are reading 'The Thousands Autumns of Jacob de Zoet'. David Mitchell's tale of love, friendship, betrayal and mystery on Dejima and mainland Japan will leave you breathless and thoroughly impressed. The descriptions create a vivid world separated from your reading chair by only the thinnest of a paper veil.

Dejima (now a heritage site) was an artificial island that could be used by the Dutch VOC traders as a base of operations for profitable business with the Japanese. Rarely were the Dutch admitted on the mainland however, because Japan was off limits for 'aliens'. But because a shogun had decreed that trade with the Dutch was allowed under certain conditions the Dutch were preferred trade partners for a long period in history. This period, rich with exotic customs, possibilities for private gain, temporary Japanese wives for the upper echelons of the Dutch VOC employees, typhoons, slaves, strange and wonderful happenings and obsessive traditions, is now available to us through the literary prowess of one David Mitchell. The characters are memorable: from the troupe of clerks and translators, captains, and samurai's to the sweet heros of the tale: Orito, a Japanse midwife with a strong sense of honour and Jacob de Zoet, a lonely clerk burdened with a moral compass in the midst of less savoury and trustworthy individuals.

After I enjoyed the Bone Clocks and Cloud Atlas last year, I decided to read everything David Mitchell had ever written, so just recently I finished 'The Thousands Autumns of Jacob de Zoet' or as it is called in Dutch: 'De niet verhoorde gebeden van Jacob de Zoet'. I read it in Dutch and I wholeheartedly recommend everyone who knows the language to do likewise. I usually try to read books in their original language, but here I made an exception. The translators Harm Damsma and Niek Miedema (Dutch names, if ever..) really added an extra dimension to the story by rendering the tale in the rich and succulent language actually spoken by the Dutch protagonists. Now the characters truly jump off the page. Their language is vibrant, baroque at times, often funny and dripping with delightful mutterings. No wonder Damsma and Miedema were nominated for the European Literature Prize for their work.

I highly recommend this book. Mitchell is firing on all cilinders here with this trademark storytelling, delicate prose and deft descriptions. And because you are in the Mitchellverse, don't be surprised if halfway through the story you suddenly feel yourself catapulted into another book. 'The Thousands Autumns' is another part of Mitchell's Uber-book, so be ready to meet some characters that also make appearances in other works. But it all comes together in the end and the book is therefor more of a narrative unit than Cloud Atlas and the Bone Clocks. But still...so many birds again. (What's with the birds anyway? He really should explain this sometimes, or then again perhaps not...)

Here is an interesting and recent talk from the very likeable Mr Mitchell. Enjoy!





dinsdag 29 juni 2010

Vakantie natuurlijk....

De beste boppers die op hun portie besprekingen zitten te wachten kan ik geruststellen. We zijn net terug uit vakantie en nemen vanaf volgende week de draad opnieuw op. We waren in Frankrijk waar we de schande van de 'bleus' van dichtbij hebben meegemaakt. Je hoorde of las niets anders meer. Ik kan me ook geen ander land voorstellen waar een actualiteitenprogramma op de radio eerst vrij woord geeft aan een filosoof die omstandig mag het morele en socio-culturele kader schetsen waarbinnen dit 'débacle' en 'échec' zich heeft afgespeeld, daarbij teruggrijpt naar historische filsofische discussies, er ook een weerspiegeling van het moreel verval van de huidige maatschappij inziet en in een beweging ook de verstrengeling van het grote geld en de topsport aan de kaak stelt, vooraleer de moderator de discussie laat beginnen. Knap!

In alle geval, stay tuned voor uw wekelijkse vertrouwde portie leeservaringen.

dinsdag 15 juni 2010

Hoe snel ? (2)

We hebben het hier al even gehad over de voordelen van het trage reizen. Meer en meer mensen raken overtuigd van het nut van een gezapig tempo, en dat niet alleen tijdens het reizen. De ‘slow movement’ beweging gaat verder dan het reeds gekende ‘slow cooking’. Zo pleiten ze ook voor een ander tempo bij het reizen, er is de ‘slow living’ (lees: mindfullness) en er zijn blijkbaar ook reeds trage steden. (Cittaslow) Gisteren nog met iemand gesproken die zijn vakanties thuis doorbrengt in de nabijheid van de frigo en de kelder want ‘zo heb je alles direct bij de hand’. Over die frigo gesproken. Je kunt op reis gaan en toch je frigo bij de hand houden zoals Tony Hawks bewees in zijn reisboek: ‘Round Ireland with a Fridge’.

Dit heeft aanleiding gegeven tot een soort van subgenre van het reisboek waarin allerlei knakkers een reis maken met een onverwachte insteek. Dan Kieran & Ian Vince schreven een boek over hun belevenissen met een oude elektrische melkwagen. Ze reisden ermee van de oostkust van Engeland (Lowestoft) naar Land’s End in het uiterste puntje van Cornwall. In ‘Three men and a float – Across England at 15 mph’ doen ze er een maand over om hun bestemming te bereiken. Minstens tweemaal per dag moeten ze de batterijen van de melkwagen opladen. Het wordt dus evenzeer een zoektocht naar de zin van het reizen, de dagelijkse stroomvoorziening (een speciale amperage is nodig waardoor ze hun wagen niet zomaar in een normaal stopcontact kunnen pluggen zonder de boel kort te sluiten), als naar de makkelijkste weg zonder al te grote heuvels of hoogteverschillen. Ze worden zowel door de techniek als door de ongeduldige medemens in de wagens achter hen zwaar op de proef gesteld. Gelukkig hebben ze als derde man Prasanth Visweswaran mee, een stoïcijns elektrisch ingenieur met dreadlocks en een caffeïneverslaving. Het boek leest vlotjes, net zoals de melkwagen (de ‘Mighty One’ genoemd) schijnbaar moeiteloos elk obstakel overwint. Daarbij is het geschreven in – wat ik denk een erkende hedendaagse dagboekstijl is geworden voor reisverhalen – half komisch, half ideologisch, associatief en informatief.

Toch zijn er twee elementen die na het lezen van dit boek blijven hangen. Mensen zijn behulpzaam. Bijna iedereen die ze tegenkomen helpt hen verder. De melkwagen blijkt een fantastische ijsbreker en ook helpt het om er als reiziger vredelievend uit te zien, niet bedreigend, heet dit dan. Je kunt bezwaarlijk een voertuig vinden met een hogere aaibaarheidsfactor. (Als dat zou bestaan voor wagens.)

Een tweede conclusie die de schrijvers maken, is dat het reizen uiteindelijk het doel om in Land’s End te geraken, oversteeg. De reis werd doel op zich. Het verplichte trage reistempo maakt hen opmerkzaam voor een hele reeks toestanden en gebeurtenissen die ze vanuit een sneller vervoermiddel niet zouden hebben waargenomen. Je hebt meer contact met de mensen en het landschap, en mijmeren en vertellen, halen het op foeteren en zich haasten. Wat begon als een vaag ecologisch project, werd al snel een filosofische oefening, een reflectie op de impact van de industrie op het landschap, de zonden van overijverige stadsplanners, en de voordelen van het nemen van je tijd. Het terugnemen van de tijd. Zie ze aan het werk in deze korte video.

maandag 7 juni 2010

America the Beautiful!

Ha!Merika! Een uitspraak die enige lagen van betekenis, ironie, mededogen of jaloezie laat vermoeden maar tevens de titel is van het grappige relaas van Marcel Vanthilts verblijf in Hollywood en omstreken. Een leuk boek om even tussen de soep en de patatten te lezen. Ik lees al jaren met een zekere fascinatie, boeken over dat land en had er deze week graag een drietal aan jullie voorgesteld.

Amerika oefent een vreemd soort magnetisme uit. Het intrigeert, het trekt aan en verwondert en soms stelt het ook teleur. Het is een land dat niet alleen is opgetrokken uit ellenlange highways, natuurparken, steden en diners maar ook is gedrenkt in symboliek en culturele referenties. Amerika is een Surf ’n turf, een Pic and Mix van ideeën, gevoelens, waanbeelden, helden, pathos, durf en waanzin, een cultureel smorgasbord, een cornucopia van betekenaars gepuurd uit films, boeken, strips, tv-series, nieuwsretoriek en recent ook het internet. Eenmaal op reis in dit land - versteend tot een hyperrealiteit waarin pretparken echter lijken dan de buitenwijken - is het moeilijk om de zaken te zien zoals ze zijn. Onherroepelijk schuift een waas van betekenissen over de realiteit, komt er een dikke laag symboliek tussen jou en de waitress die je koffie bijvult, zie je Freddy Krueger ’s nachts door de verlaten motelgang dwalen; lifters worden drifters elk met een eigen verhaal, je verkoopt, op een kruispunt ergens in de Mississippi delta, je ziel aan de duivel zoals Robert Johnson en dan wordt route 66 plots een archetypische snelweg die je al in zoveel incarnaties hebt bereden.

Stephen Fry was ook 'In America' en hij heeft er een documentaire en een boek bij gemaakt. In zijn zoektocht naar de diversiteit en de ziel van dit mythische ‘land of opportunities’ doorkruist hij alle staten, zwemt met haaien, praat met landlopers, proeft whisky, traint als brandweerman en gaat ijsvissen op de bevroren meren van Minnesota. Een leuk boek om de gigantische discrepanties, contradicties, en verschillen tussen al de uithoeken van dit uitgestrekte land wat beter in kaart te brengen.

Het gaat er serieuzer aan toe in ‘An Empire Wilderness’ van Robert D. Kaplan. Kaplan trekt doorheen Amerika en ziet een land in transitie. Een land dat ook meer en meer uit elkaar aan het vallen is langs breuklijnen gebaseerd op ras, inkomen en afkomst. Zijn overtuiging is dat Amerika de monoliet zich aan het heruitvinden is als een lappendeken van nieuwe identiteiten en samenlevingen te midden enclaves van verarmde steden. Een interessant boek met heel wat stof tot nadenken.

Tenslotte hebben we nog Martin Fletcher die in ‘Almost Heaven’ een reis doorheen de minder bekende streken en ‘backwaters’ van de Verenigde staten beschrijft. Zoals verwacht komt hij in contact met een serie kleurrijke figuren, bijna van de realiteit losgewrikte personaliteiten die zich elk in het onmetelijk symbolische landschap een niche hebben uitgegraven als slangentemmer, goudzoeker of prediker. Het wemelt in het boek van de excentriekelingen en Fletcher’s getuigenis laat ons weer een andere zijde van dit land zien dat wellicht nooit in één boek zal gevat worden.

zondag 22 november 2009

Terug uit de woestijn....

Net terug van een reis naar het zuiden van Marokko. Steden zoals Marrakesh en Ouarzazate stonden op het menu maar ook een vijfdaagse trektocht door de woestijn met temperaturen van 40 graden en ijskoude nachten onder een imposante sterrenhemel, met vers brood gebakken op warme kolen, geurende tajines , liters muntthee, maar ook met uitgestrekte desolate steenvlaktes, zandduinen en de stilte, steeds de stilte. Kortom het was er weer een om te koesteren. Wat intestinale restverschijnselen, maar een kniesoor die daar op let.

Men vraagt me soms: waarom steeds weer die woestijn. Ik heb het in deze blog reeds gehad over de betovering die je overvalt wanneer je onder de warme zon urenlang rustig verder sjokt en de gedachten langzaam opdrogen, wanneer het enige wat je hoort de zachtjes ruisende wind is en wanneer de blik zich eindeloos verder kan ontrollen langs een zinderende einder. Ik ga dit dus hier niet opnieuw doen. Zo ook vraag ik me soms af of alles wel moet verwoord worden. En dan nog is er een rest die helemaal niet kan beschreven worden. Toch dacht ik jullie een aantal dagboekfragmenten weer te geven van eerdere gemaakte woestijnreizen. Mogelijks springt een vonk van het heilige vuur over…

Tunesië – oktober 2003 – Dag 2:
Om 7.45 uur zijn we weer op pad. We wandelen een drietal uren, vinden prehistorische speerpunten en woestijnrozen. Soms lopen we met twee of drie samen en praten we wat, soms nemen we wat afstand en wandelen eenzaam de steeds kleiner wordende karavaan achterna. S. is enorm populair bij de meereizende vliegen. Zijn rug is één wriemelende zwarte massa. Maar hij is niet alleen. Best is de vliegen rustig op je rug te laten zitten. Maak je onverwachte of bruuske bewegingen dan lost de plaque vliegen zich op in een toornige wolk die luidruchtig rond je hoofd tolt. Rond 11.00 uur slaan we de tent op voor de middagrust en de lunch. Iedereen lijkt in te dommelen. Het is warm en een hete droge wind komt opzetten….

Sinaïwoestijn – november 2005 – Dag 2:
…we trekken verder de woestijn in en na een wandeling van een goede drie uur door rotsachtig terrein langsheen wadis en uitgeholde paden, komen we aan in onze kampplaats. Het is het tijdstip van het gouden avondlicht. Fijn opstuivend zand en de bijna pulserende gloed van het avondlicht dat de rotsen in diepe okertinten laat oplichten, toveren het landschap om in een onwezenlijk droomdecor. Daar middenin, de grote tent pal in het licht van de ondergaande zon. We worden verwelkomd door Mustafa, onze kok, met thee en koekjes. We doen onze schoenen uit en vleien ons neer op het tapijt. We praten bij en reconstrueren de dag uit de vele afzonderlijke getuigenissen. Iedereen moet als het ware zijn hart luchten, wil de schoonheid die we gezien hebben ons niet blijvend met verstomming slaan…

Egypte – Westelijke woestijn – november 2006 - Dag 5:
…na het ontbijt wandelen we door wat we terecht niets anders kunnen noemen dan een witte woestijn. Fonkelende helderwitte rotsformaties tegen een diepblauwe hemel. We wandelen doorheen een labyrint van door de wind uitgeholde en uitgefreesde witte rotsformaties, sommige zo groot als een huis, andere nemen de versteende vorm aan van een zandheuvel of een aangespoelde walvis. De verbeelding slaat hier werkelijk op hol. Ze vindt geen houvast meer op de netjes afgeschuurde en gepolijste rotsvormen…en dit terwijl de zon steeds hoger klimt. Water, water, water….


Libië – het zuiden – november 2007 – Dag 6:
…vandaag geen ontbijt. Voel me nog wat zwak van de rusteloze nacht. Diarree! Het moest er eens van komen. Het wordt weer warm en de wandeling duurt lang. J. krijgt het een beetje lastig. Hij heeft hetzelfde probleem als ik. ’s Middags eet ik toch wat brood maar J. eet niets. Tijd om wat te rusten en te lezen. Dan komt er een geweldige wind opzetten. Rond drie uur vertrekken we voor het tweede luik van de dagtocht. We moeten nog een twaalftal kilometer doen. Het wordt een zeer lastige tocht, bijna episch…althans in mijn verbeelding. We vorderen over een uitgestrekte vlakte waar we gezandstraald worden door de hete wind. Het gaat steeds heviger waaien. De lucht boven ons blijft helder blauw maar 360 graden rondom ons wordt alles wazig en mistig door het opstuivende zand. Dan maar de chèche goed aanbinden en doorbijten. Het wordt een helletocht. Iedereen moet een extra inspanning leveren. De duinen in de verte lijken niet dichter te komen. Maar toch…na drie uren tegen de wind vechten, komen we aan in het kamp. Iedereen zakt uitgeput neer voor de thee. Mijn keel brandt, mijn benen trillen en ik voel me ongelooflijk slap door het weinig eten…maar dat was een tocht om nooit te vergeten…en de wind gaat liggen.

Marokko – het zuiden nabij Zaghora – november 2009 – Dag 6:
Vanavond bakken de berbers vers brood in een put gevuld met houtskool. Het avondeten bestaat uit soep met het nog warme brood en groetenstoofpot met rijst. We eten rondom het kampvuur en sluiten deze dag af met thee, fruit en wat verhalen uit de duizend en één nacht vertellingen.


Ik bedoel maar…als ik alleen nog maar de laatste zin herlees dan besef ik opnieuw hoe uitzonderlijk deze laatste reis opnieuw was. Je gaat het helaas echter maar ten volle appreciëren wanneer je op een grijze zondagmiddag je blog aan het updaten bent….

woensdag 28 oktober 2009

Reizen om te leren?

Binnenkort vertrek ik terug op reis. Ditmaal naar Marokko. Hoe bereid je jezelf voor op een reis teneinde er zo veel mogelijk uit te halen? Laat ons eerst duidelijk maken wat dat 'er uit halen' betekent. Het is duidelijk dat eenieder wel een ander doel beoogt met een reis. Te veel maken we de fout om onszelf als ijkpunt te nemen in een poging de beweegredenen van anderen te begrijpen. Ook hier is niets voor de hand liggend en loont het om even verder te kijken dan de neus lang is. Mensen benaderen elke situatie of een appel naar hen toe, op een andere wijze, ingekleurd door een veelheid van meegegraaide ervaringen, eerder permanente en fundamentele subjectief verschillende posities ten opzichte van de grote symbolische wereld om hen heen, maar ook gekleurd door hormonale fluctuaties, de hoeveelheid nachtrust, de regelmatigheid van de stoelgang, het fysisch welzijn en/of door vluchtige emoties en andere toevalligheden.

Dit maar om aan te geven dat we het dikwijls niet weten waarom de een zo en de ander zus reageert. En dus ook niet waarom die persoon nu net deze reis maakt. De subjectieve pasmunt van de motivatie is dan wel soms nog zichtbaar, de eventuele opbrengsten in deze mentale economie soms veel minder. Kortom, terug naar de steekproef van één: mezelf dus. Want soms leert men meer uit de nauwgezet uiteenrafelen van één bepaalde en subjectieve handeling, dan uit de poging een algemeen globaal model uit te bouwen waarin iedereen dan willens nillens moet passen. Dat wist Proust ook al. Hoewel hij er eerder van uitging dat iedereen fundamenteel gelijk is en dat we in een goede romanfiguur altijd dingen van onszelf kunnen herkennen en zo iets kunnen leren over onszelf. Dit is ook een waarheid, uitgestald vanuit een ander gezichtspunt.

Ik maak een onderscheid tussen een reis op vertrouwd terrein, zonder al te veel verrassingen, maar met een wissel op een zekere vorm van rust en goed weer en een reis die misschien wel kan leiden tot wat verrassingen. Een reis die wat verwondering kan oproepen. Een reis die ons een beetje dooreen schudt en toont dat er ook andere manieren zijn om in de wereld te zijn, en dat we - om een cliché te gebruiken - mogelijks een en ander kunnen leren van een andere cultuur, iets dat ons kan verrijken. Zo mag ik graag reizen naar Noord-Afrika, naar de woestijnen en merken dat men daar toch iets anders omgaat met elkaar, met de tijd, met de omgeving. Die confrontatie met andere waarden, bruuskeert soms vastgeroeste opinies of ideeën. En met dat het wrikken, komen vastgelopen tandwielen weer in beweging...Men treedt een beetje uit zijn vaste referentiekader waardoor het aanmatigende 'sérieux' van ons dagelijks bestaan en de soms verstarde aanwassen van onze gewoontes, in een ander licht worden bekeken. Dit belet niet dat ik ook gewoon wel eens met mijn luie krent in het zand wil liggen lezen.

Maar we gingen het uiteindelijk over reisvoorbereidingen hebben. In mijn geval probeer ik zoveel mogelijk te leren uit reisverhalen en dagboeken van anderen die me zijn voorgegaan. Ik kijk naar kaarten, probeer iets van de taal mee te pikken, leer wat over de geschiedenis en cultuur. Het helpt soms een en ander te zien of te plaatsen dat anders onopgemerkt zou gebleven zijn. Dit alles is echter geen garantie voor een geslaagde vakantie. Je moet ook kunnen afstand nemen en je lot in de handen van de voorzienigheid leggen. Je moet geduld kunnen oefenen en soms gewoon ook wat geluk hebben. Maar dan nog kan het gebeuren dat je bij aankomst op de luchthaven van de trap valt en je door Europe Assistance moet gerepatrieerd worden. Maar dan beste Boppers, heb je tenminste het genoegen gekend van de zoete anticipatie, heb je weer wat bijeengelezen of geleerd. Zo zie je maar. ‘Come prepared!’ En je wint altijd. Maar dat is de boy scout in mij.

zondag 27 september 2009

Meisjes en motoren....

Nu we het toch over motoren hebben. Aah…wat een gelukzaligheid die zo veel mensen wordt onthouden door het simpele feit dat ze niet over een motorfiets beschikken. Ik weet het…in het huidige verstoorde CO2 klimaat is het niet echt bon ton meer om met benzineverslindende machines de omgeving te terroriseren. Een stukje rijplezier is door deze onderliggende en dwingende gedachte voor altijd suspect en pervers geworden. Net zoals zoveel andere geneugten die langzaam uit onze beleving aan het verdwijnen zijn, hetzij door voortwoekerende regelgeving, het voortschrijdende schrikbewind van het neo-liberale goochelmodel of simpelweg door het ouder worden…Maar ik troost me met de gedachte dat ik op allerlei andere gebieden mijn ecologische voetafdruk zo minimaal mogelijk hou. Pascal Blaise zei het reeds…veel van onze miserie komt voort uit het feit dat we niet rustig in onze kamer kunnen blijven zitten. En wat is dan het effect van een ritje of twee in de maand en een jaarlijkse trip van een dag of vier? Maar allez, we volgen deze nieuwe deining in de collectieve gedachtestroom en beoordelen gezwind alle roetspuwende excessen.

Maar wat kan het leven je toelachen als de zon wordt weerspiegeld in de netjes opgepoetste helmen van je meerijdende kompanen terwijl je bochtje na bochtje pikt en de frisse herfstlucht door de spleten van je oude motorvest klauwt , en het ronken van de banden op de tarmac samen met het zoemen van de boterige viercilinder je gedachten inpakken en verleiden als de sensuele dans van een buikdanseres. En dan hebben we het nog niet gehad over alle avonturen die een cilinderinhoud van 250 cc of meer allemaal kan declencheren.

Lois Pryce is een kranige roodharige deerne die met haar natuurlijke flair en karakter van een rondborstige flapuit de wijde wereld intrekt. In ‘Lois on the Loose' vat onze heldin het plan op om met een motorfiets vanuit Alaska naar het uiterste zuidelijke puntje van Zuid-Amerika te bollen. Licht van toon, verbergt haar relaas niet volledig de volharding en vindingrijkheid die nodig waren om dit plan tot een goed einde te brengen. Met een minimale kennis van het Spaans, een veel te lichte motorfiets en een optimisme die de vele moeizame grensovergangen draaglijk maakt, haalt ze toch de eindmeet. Wat later doet ze dit huzarenstukje over dwars door Afrika in ‘Red Tape & White Knuckles’ waar de grensovergangen zowel hallucinante als grimmige kenmerken beginnen te vertonen. Ook hier haalt ze haar slag thuis en bereikt ze uiteindelijk Capetown door een mix van doorzetting, humor en toevallige meevallers die ze door haar aard wel lijkt aan te trekken. Lois is een hedendaagse heldin en haar boeken leren ons meer dan je zou verwachten. Kortom, twee reisverslagen die iedere avonturier in zijn kast moet hebben staan.

Ik wil jullie ook niet ‘Meisjes, Moslims en Motoren’ van Gaea Schoeters en Trui Hanoulle onthouden. Twee Belgische vrouwen die in het zog van een vooroorlogs koppel reizigers een trip uit 1939 proberen over te doen. Ditmaal met motoren en door een fundamenteel veranderd Midden-Oosten landschap. Zelfs Yemen en Iran hebben ze aangedaan. Om als vrouw alleen, zonder mannen dus, (en op een motor) door een cultuur te sjezen die dit niet altijd kan plaatsen moet men ballen hebben. Hun verslagen staan dan ook vol van rake typeringen en pertinente overpeinzingen. Daarnaast puilt het ook uit van de prachtige foto’s van Trui. Dus Boppers, haal boven die atlas, laad op die batterijen, verstel dat regenpak en ‘hit the road’. Grenzen bestaan toch alleen maar in onze verbeelding.

dinsdag 15 september 2009

The call of the Wild...

Gisteren een uitstekende film mogen meepikken: ‘Into the Wild’ gebaseerd op het gelijknamige boek van Jon Krakauer uit 1996. Film en boek verhalen het leven van Christopher McCandless, een jongeling uit een begoede familie, die eenmaal afgestudeerd, al zijn geld aan Oxfam schenkt en beslist om onder de naam ‘Alexander Supertramp’ in de vrije natuur te gaan overleven. Na een tijdje te hebben rondgetrokken doorheen het westen van Amerika trekt hij noordwaarts naar Alaska waar hij midden het imposante landschap – en moederziel alleen - probeert te overleven. Hij slaagt daar aardig in tot hij na het eten van een giftige plant ziek wordt en sterft. Helaas nog in het besef dat geluk maar waarde heeft als het gedeeld wordt…

Vanwaar deze drang naar avontuur? Dit onbedwingbare appel vanuit de natuur dat ons doet dromen van ongerepte vista’s en een buitenleven in harmonie met het ritme van de seizoenen. Deze lokroep naar verre einders, helder bronwater en nachten onder imposante sterrenhemels? Dit voortdurende trekken aan de uitgerafelde randen van ons bestaan, van een utopie die toch oplost onder geconcentreerde aandacht maar altijd aanwezig is, als jeuk die je niet kunt krabben. Deze verzuchting naar een leven niet gemedieerd door reclameborden, niet gedirigeerd door de prikklok, niet gearchiveerd door Outlook? Niemand is hier geheel immuun voor. Van de liefhebber van de programma’s van ‘National Geographic’, over de weekend wandelaar in de bossen en natuurparken tot de bergbeklimmer-avonturier voor wie het allemaal een beetje meer mag zijn. Voor die laatste groep kan de opgebouwde stress in de kop maar een uitweg vinden middels een hevige en directe confrontatie met de natuur, een soort van euforische trepanatie met behulp van stijgbeugels, ijshouwelen of klimtouwen. Ik reken me niet direct tot dit clubje, daarvoor hou ik teveel van mijn leeszetel, maar toch moet ik – sinds ik als klein manneke de albums van Bessy verslond –af en toe een avontuur beleven.

Alain Hubert en Dixie Dansercoer, onze nationale helden en bekende poolreizigers beschrijven in ‘De tanden van de Wind’ hoe ze op 100 dagen tijd Antarctica overstaken. Geplaagd door blizzards, materiaalpech en vermoeidheid maar ook betoverd door de gestileerde schoonheid van de ijsvlaktes, bereiken ze uiteindelijk hun doel. Een aantal jaren terug greep ik dan ook snel de kans om met Dixie en een aantal andere gelukzakken een sneeuwtocht te maken in Spitsbergen. ’t Was wel de Noordpool niet maar het kwam al aardig in de buurt. Een slede achter je aan trekken, een zon die niet onder gaat, tentje opzetten in de geselende wind, verkleumd je potje koken, ’s nachts op de uitkijk staan voor ijsberen. Het was een unieke ervaring. Helaas konden we toen al de gevolgen van global warming vaststellen, een te vroege dooi, te hoge temperaturen voor de tijd van het jaar…maar toch een goede proeve van hoe een reis over de pool moet aanvoelen.

In ‘The mammoth book of the Edge – an anthology of climbing adventures’ lezen we een aantal van de grootste successen en tegenslagen uit de geschiedenis van het bergklimmen. Weer kon ik me niet inhouden. Ik moest het zo nodig zelf proberen en beklom onder leiding van berggids Jan Vanhees, de Mount Blanc. Die beklimming gebeurt in fases. Een eerste deel tot aan de refuge du Gouter op 3.800 meter, niet zo moeilijk, gewoon op het eind een beetje rotsklimmen. Daarna een korte overnachting op de vloer van een overvolle refter. Tenslotte om twee uur ’s morgens opstaan en in het donker, onder een snijdende wind naar de top vorderen. De lucht is wat ijler, dus dat is even doorbijten maar de beloning kwam voor ons om 8 uur ’s morgens onder de vorm van een bijna wolkenloze hemel, een stralende zon en een zicht van op de top (4.800 m) dat je letterlijk de adem beneemt. Daarna in 8 uur terug naar beneden. Ik heb me sindsdien nooit niet meer zo moe en zo voldaan gevoeld.

De verre einders lokten ook Ewan McGregor en Charley Boorman. In ‘Long Way Round’ getuigen ze van hun epische trek rond de wereld op hun motorfietsen. Na bijna 4 maand en 30.000 km te hebben gereden over de meest moeilijke modderpaden, aardewegen, pokdalige tarmac en een oneindige reeks van putten en bulten, komen zij ook moe en voldaan over de eindstreep. Nee, deze heb ik niet nagedaan beste Boppers. Tenzij in afgezwakte vorm. Jaarlijks teken ik met twee vrienden een motorrit uit doorheen een van onze buurlanden. Dan rijden we vier dagen lang op onze motor van hot naar her langs de meest pittoreske delen van het Europese wegennet. Er is iets verslavend, zo niet hypnotiserend in het volgehouden afmalen van kilometers, doorheen een veranderend landschap, enkel vergezeld van het zachte ronken van de motor, het ruisen van de wind en de geur van gras, bos en akker…Maar daarover meer in een volgende post. Ondertussen dromen we verder en teren we nog even op de fotoboeken…

maandag 29 juni 2009

Reizen in de woestijn...

Nog één post over reisliteratuur en dan hou ik er voor een tijdje mee op. Beloofd. Lezers van deze blog kennen reeds mijn fascinatie voor de woestijn. Wanneer ik me voor iets interesseer, is het steeds met volle overgave. Dat is soms vermoeiend. Niet alleen lees ik graag boeken over de woestijn, maar bij uitbreiding dus ook over Noord-Afrika, zijn geschiedenis, cultuur en taal. Het ene boek leidt – in een dwingende zoektocht naar steeds meer kennisbronnen– onherroepelijk naar een ander boek, en een ander, als een olievlek die zich uitbreidt over het water. Soms bijt ik dan ook meer af dan ik kan verhapstukken.

Zo kreeg ik een aantal jaren geleden het idee om de taal te leren. Ik wou tijdens mijn volgende trektocht in het Arabisch kunnen converseren (of ten minste wou ik kunnen afdingen) en ik wou op termijn ook het Arabisch kunnen lezen. Makkelijker gezegd dan gedaan. Ik vond – mits wat zoekwerk – de vzw 'Orientaal' als aanbieder van degelijk basisonderricht in die taal. Welke taal, zult u vragen, want het Arabisch kent zowel zijn uiterst geletterde vorm in geschriften en officiële media (het fushaa) als een veelheid van spreektaal varianten . De oplossing die ‘Orientaal’ aanbiedt, is een variant die zich tussen het fushaa (voor de algemene termen) en het gesproken Egyptisch-Arabisch (voor de gangbare uitspraak) situeert. Wat een heel goede keuze is omdat iedereen in Noord-Afrika en het Midden Oosten deze taalvorm zal begrijpen. Egypte is namelijk het ‘Bollywood’ van Noord-Afrika en de grootste producent van Arabische soaps. En zoals overal in de wereld, heeft ook hier iedereen zijn favoriete soap (musalsal) die dan wel net zo makkelijk voor ons studenten Arabisch, in het Egyptisch is opgenomen. Je kunt je dus zeer goed verstaanbaar maken. Het omgekeerde is helaas, niet zo makkelijk. Daarom kregen we eerst onderricht over onderwerpen die voor de hand liggen (geld, tellen, bestellen, eten, drinken, iets aankopen, weg vragen etc..) of die een belangrijke rol spelen in de lokale dagelijkse beleving (de familie). Na twee jaar zwoegen en studeren, lukte me dit aardig, maar de stap naar het vlot Arabisch spreken over andere onderwerpen of een krant lezen is nog steeds een brug te ver. Ik blijf steken op een woordenschat van ongeveer 2000 woorden en je hebt er 6000 nodig om –met enige vorm van gemak – een krant te lezen. Wil ik me echt meer bekwamen, zou ik alle resterende vrije tijd hieraan moeten besteden.

Daarom heb ik zo veel respect voor mensen die daar wel in slagen. Tim Mackintosh-Smith is zo iemand. Een Engelsman, die de taal vlot beheerst, in Yemen woont en die in een erudiete en speelse stijl zijn wedervaren beschrijft met één oog op de geschiedenis van de streek en het andere oog op de eigenaardigheden van de plaatselijke cultuur. Kortom; reisliteratuur met een meerwaarde.




In ‘Yemen, travels in dictionary land’ schetst hij zijn gastland als een intrigerend kluwen van genealogie, landschapstopologie, taalkunde en geschiedenis, wat enorm veel anekdotes, weetjes en inzichten oplevert. Daarna treedt hij letterlijk in de voetsporen van Ibn Battutah een 14de eeuwse Marokkaanse geleerde en rechter die tussen 1325 en 1354 een expeditie maakte doorheen het toenmalige Noord-Afrika en het Midden Oosten ( zelfs tot in India en China) en dit allemaal uitvoerig liet optekenen.

Mackintosh-Smith volgde Ibn’s oorspronkelijke route in ‘Travels with a Tangerine’ en beschrijft gevat de verschillen die hij als hedendaagse reiziger opmerkt, maar tevens ook de elementen die ongewijzigd zijn gebleven sinds Ibn Battutah’s tijd. Deze wisselende gezichtspunten verrijken elkaar en je leert doorheen de ervaringen van Tim en Ibn Battutah zowel de landen, de cultuur als de mensen beter kennen, wat een kenmerk is van goede literatuur (fictie zowel als non-fictie). Het fysische landschap wordt aldus opgesmukt en wint aan betekenis door het literaire landschap dat er over heen wordt geschoven.

Maar daar stopt het niet, Boppers. Het zijn soms de kanttekeningen van de schrijver bij een bedenking van een persoon op een opmerking van een ander die in hun gelaagde en gecondenseerde vorm een boek net dat ietsje meer geven. Dat men op een literair landschap nog een literair landschap kan schuiven, en nog één… en dan door alle lagen heen kan breken met een welgemikte metafoor! Het oorspronkelijke reisverhaal van Ibn Battutah is trouwens opnieuw uitgegeven onder redactie van Mackintosh-Smith. Moet het gezegd dat ‘The travels of Ibn Battutah – edited by Tim Mackintosh-Smith’, klaarligt op mijn ’te lezen stapel’.

dinsdag 16 juni 2009

Roepen in de woestijn...

Dune… Arrakis…Desert Planet. Het boek van Frank Herbert veegde me letterlijk van de kaart toen ik het de eerste keer las. Je hebt zo van die boeken die je niet kunt neerleggen wanneer je er eenmaal in begonnen bent. Boeken die je opslorpen en alle besef van tijd doen verliezen, waarin je met open mond van de ene verbazing in de andere valt.Dune is een ambitieus epos waarin talrijke politieke intriges, persoonlijke afrekeningen, familiale vendetta’s, religieuze manipulaties, exotische gildes en sekten, planetaire ecologieën, dwingende profetieën, een superdrug (‘Spice Melange’) en conflicterende wereldvisies het toneel vormen voor een wervelend verhaal waarin de last van het verleden en de hoop op een betere toekomst op de jonge schouders van onze held, Paul Atreides worden gelegd.


Wanneer ik echt gepassioneerd ben door een verhaal, dan sluipen elementen van het boek het dagelijkse leven binnen, sommigen gaan er nooit meer weg. Voor mijn geestesoog zag ik op het voorhoofd van mijn huisdokter het ruitvormig embleem van een Suk dokter getatoeëerd, suiker in mijn thee werd Spice Melange, een wandelende non waargenomen in vol habijt werd een Bene Gesserit op weg naar een nieuwe intrige, een ritje met de wagen werd een vlucht met de omnithopter…Het overgrote deel van het verhaal in het eerste boek speelt zich af op Arrakis (Dune) een woestijnplaneet, habitat van een ruw volk dat heeft leren te overleven in de nietsontziende zandvlaktes. Ze droegen ‘stilpakken’ die hun lichaamsvochten recycleerden en krismessen gemaakt van de vlijmscherpe tanden van de zandwormen. Een latente interesse in de woestijn werd aldus opgeblazen door de amfetamines van de verbeelding.

En ik ben blijven lezen. ‘Grains of Sand’ van Martin Buckley is memorabel voor de inzet waarmee de schrijver alle woestijnen van onze planeet probeert te doorkruisen. Isabelle Eberhardt’s getroebleerde korte leven in ‘Een vrouw door de woestijn’,Hannie Halma en Arita Baaijens’ woestijnboeken, Wilfred Thesiger's legendarische trektochten door het ‘lege kwartier’ in Saoedi-Arabië, wellicht het meest dodelijke stukje woestijn op onze aardbol.

En toen een vriend me op een koude winteravond enthousiast vertelde over een kamelentocht in Tunesië, rijpte het plan om eindelijk eens zelf de confrontatie met de woestijn aan te gaan. Ik verzamelde vier vrienden die een dergelijke tocht wel zagen zitten en acht maanden later zaten we in het vliegtuig naar Djerba. Het was liefde op het eerste gezicht.

We trokken elke dag een beetje dieper de woestijn in, sliepen ’s nachts in het zand onder de sterrenhemel en aten vers brood dat de gidsen ’s morgen vroeg op houtskool hadden gebakken. We maakten lange dagtochten en zaten ’s middags onder een loden zon op een duintop te staren in de verte…om niets te zien…in complete stilte. We dronken lauw water dat smaakte naar ammoniak, lieten onze baarden staan en zongen samen met de Arabische kamelendrijvers rond het kampvuur. Het was fantastisch. En er gebeurde iets merkwaardigs. Waar ik de eerste dagen vanuit mijn ooghoeken nog een grote zandworm in een duinenrug kon ontwaren of met een gezel grapjes maakte over onze stilpakken (anti-UV woestijnhemd) of over onze ‘Spice Melange’ (pillen tegen de diarree), nam na een tijdje de woestijn het initiatief over. De schoonheid van het eindeloze zand had geen extra opsmuk nodig.

Een citaat van Edmond Faber legt het misschien beter uit. ‘Quand on a connu le désert, on lui reste à jamais redevable d’une épreuve bénéfique, celle qui vous enjoint d’oublier. Le silence du desert vous dépouille. Par là, vous devenez vous-même. C’est à dire: rien. Mais un rien qui écoute.
Het was een les in nederigheid. Sindsdien gaan we elk jaar terug naar de woestijn, niet in staat om te weerstaan aan de lokroep van het niets. Mijn bibliotheek woestijnboeken blijft maar uitbreiden. Frank Herbert heeft heel wat uit te leggen. Of misschien stond het altijd al in de sterren geschreven. Wat zei Honoré de Balzac ook al weer? ‘Le désert, c’est Dieu sans les hommes.’

woensdag 27 mei 2009

The Face of Boe...en de kunst van het reizen

Parijs. Lichtstad. Altijd iets nieuws te (her)ontdekken. En zeker met Alain De Botton in de rugzak. Ditmaal met ‘The Art of Travel’, een aantal beschouwingen en pertinente inzichten over het reizen. Hij stelt zich onder andere de vraag wat ons motiveert om te reizen, en dan specifiek naar een welbepaalde locatie? Zo trok de Franse schrijver Flaubert in 1850 naar Egypte alwaar hij zich volgaarne in de plaatselijke cultuur liet onderdompelen. Hij leerde de taal, trok een witte boernoes aan en liet zeer lovende uitspraken noteren over de piramiden, exotische dansers en de edele en nobele karaktertrekken van de kameel. Hij is de rest van zijn leven verknocht gebleven aan Egypte. Voor De Botton lijkt een bestemming uitnodigend wanneer we aanvoelen dat bepaalde (exotische) elementen van het reisdoel beter en meer waarheidsgetrouw onze identiteit en waarden lijken te incorporeren dan onze eigen stek. Wat dit specifiek voor mij betekent met betrekking tot Parijs is een onderwerp voor verdere contemplatie, maar ik kan jullie verzekeren , beste boppers, dat het niet de overvolle metro is tussen La Bastille en Châtelet, die innig met mijn diepere zelf resoneert.

Nee, dan liever een bezoekje aan Le Musée de L’Orangerie waar Monet’s gigantische waterlelies (Nymphéas) hangen. In twee - in gedempt daglicht gedrenkte - zalen volgen grote gebogen panelen de uitholling van de concave zijmuren en proberen ons in hun schijnbare eenvoud iets essentieels te vertellen. Het kalme en koesterende effect van deze waterlelies, die lijken te zweven op het heldere water van vijvers zoals die alleen in schilderijen uit de 19de eeuw kunnen bestaan, wordt een beetje teniet gedaan door de massa toeristen. Maar zelfs dit kan de dwingende uitnodiging tot meditatie die vanuit de omvangrijke canvassen bijna fysisch op je afspringt, niet afblokken. Maar hoe neem je een dergelijke ervaring mee? Hoe zorg je dat ‘schoonheid’ die je observeert tijdens je reis, een blijvende herinnering wordt en hoe kun je die –eenmaal terug thuis- op grijze en regenachtige dagen in al zijn betoverende luister opnieuw beleven? Is een foto nemen wel de beste oplossing? De Botton stelt zich dezelfde vraag en vindt het antwoord bij de in 1819 geboren Engelsman John Ruskin. Trage, meticuleuze en minutieuze observatie lijkt aanbevolen. Go slow. En we doen dit best door een tekening proberen te maken van wat ons in alle schoonheid overvalt. Of we hier al dan niet talent voor hebben is irrelevant, de act van het tekenen verplicht ons oog te hebben voor het kleinste detail waardoor we het onderwerp langzaam gaan bezitten en die elementen die een tafereel voor ons ‘mooi’ maken, eruit kunnen lichten…We kunnen dit ook doen door het tableau goed te gaan beschrijven, ‘woordschilderen’ zoals Ruskin het noemt. Vandaar mijn enigszins bombastische beschrijving van de waterlelies van daarnet.

Maar tekenen lijkt de voorkeur weg te dragen van de tientallen studenten die gewapend met schetsboek en potlood de vele geraamtes van de uitgestorven dieren in de’ Galeries de Paléontologie et d'Anatomie comparée’ in de Jardin des Plantes levensecht op het papier proberen te krijgen. Dit is de tweede keer dat we dit museum bezoeken en het blijft een unicum. Het soort museum waar Boudewijn Büch indertijd enthousiast kon van worden. Het herbergt een massa geraamtes, overblijfselen van prehistorische dieren en fossielen die door hun veelheid en opstelling een massale aanval op de zintuigen inzetten. Ik denk dat het museum sinds de 19de eeuw niet meer is veranderd. Stoffig en oud, met afbladderende verf en handgeschreven opschriftjes bij de tentoongestelde items is het museum zelf een statement in een tijdperk van mediagekke interactieve museumdisplays. De geraamtes staan opgesteld als in een grote kudde, gehoorzamend aan een onzichtbare doch bezwerende orkestleider, die hen – gevangen in het moment – opzweept naar het einde der tijden. (Woordschilderen, weet je wel.)

Bijzonder leuk is ook een stad leren kennen door er doorheen te lopen op het vroege ochtenduur. In de Jardin du Luxembourg lopen we niet alleen in de lichte regen. Parijzenaars in alle maten en gewichten lopen hun rondjes in dit mooie park waar we plots worden verrast door een gigantisch groot bronzen hoofd, een beeldhouwwerk van Louis Derbré (Le Prophète). Wellicht onder de invloed van de vrijgekomen endorfine, meen ik eerst ‘The face of Boe’ te ontwaren, vooraleer de realiteit zijn meesterschap terug opeist. An easy mistake for a fanboy to make. De volgende keer misschien toch dat schetsboek meenemen?

dinsdag 12 mei 2009

Het groene gras aan de overkant...



'The Olive farm' (Carol Drinkwater), 'The Ripening Sun' (Patricia Atkinson), 'Extra Virgin' (Annie Hawes), 'Under the Tuscan Sun' (Frances Mayes), 'Spanish Lessons' (Derek Lambert), 'Driving Over Lemons' (Chris Stewart), 'Snowball Oranges' (Peter Kerr)...het is slechts een greep uit mijn verzameling boeken die handelen over het elders opstarten van een nieuw leven of zoals ik ze noem: moderne sprookjes.

Begrijp me niet verkeerd. Dit is helemaal niet pejoratief bedoeld. Maar net zoals sprookjes leren deze boeken ons hoe we beter om kunnen gaan met onze angsten en verlangens en drijven ze op een onbewust reservoir van archetypische figuren. (De oude norse landarbeider wiens kennis van obscure bladluizen je eerste appelsienenoogst redt, de sympathieke dorpsbewoner die vergezeld van een schare kleurrijke vrienden je een nieuw dak helpt leggen net voor een verwoestende hagelbui, de buurvrouw die je introduceert bij de coöperatieve olijvenperser zodat je niet teveel betaalt...ze bestaan echt in die boeken.) Deze vorm van literatuur dient men niet te verwarren met reisverhalen pur sang. Die gaan meestal over een tocht, expeditie of karavaan binnen een context waar men niet overvallen wordt door een plotse oprispende drift om zich ergens permanent te vestigen.

Nee, het gaat hier over lefgozers die de moed hebben uiteindelijk hun droom te volgen en een nieuw bestaan uit te bouwen, meestal in een warmer klimaat. Met restaureert oude dorpshuisjes in Toscane, men overleeft van de opbrengst van een olijventuin, men probeert iets bij te verdienen door een B&B uit te baten of er wordt een wijngaard nieuw leven ingeblazen. Je moet het maar durven. Ik beken, ik was een tijdje verslaafd aan deze vorm van escapisme. Je ligt uitgestrekt in de zetel, buiten regent het, maar het boek neemt je mee naar een zonovergoten plaats waar gemeenschapszin, arbeidsvoldoening, natuurbeleving en authenticiteit troef zijn. Wie is daar niet voor gewonnen? Je leeft mee met de hoofdpersonages die in hun naïviteit en onschuld geconfronteerd worden met initiële tegenslagen maar die er dankzij volharding, naastenliefde en een beetje geluk, toch in slagen een plek onder de zon te bemachtigen waar het goed leven is middels zinvol werk, lekker en gezond eten en pittoreske figuren. Het is zelfs beter dan sprookjes, de boodschap is duidelijk, verandering is mogelijk en wordt beloond.



Maar tussen droom en daad ligt een kerkhof van miskende kansen en mislukte ondernemingen. Voor elke schattig B&B'tje die in het buitenland succesvol wordt uitgebouwd zijn er tien die na het eerste jaar terug op de markt staan. De vele tv-programma's die reality-gewijs koppels volgen die huis of werk in het buitenland ambiëren, spelen hier ongetwijfeld een rol in. Maar is het altijd zo veel beter in het buitenland (buiten het klimaat dan)? Wie kan voorspellen of het nieuwe leven niet wordt gewogen en te licht bevonden wordt in het licht van een zorgvuldig opgebouwd fantasma dat veelal de confrontatie met de realiteit niet overleeft. Moet men dan maar zijn of haar dromen laten varen, moet men zich bij dat legioen van mensen voegen die de schouders ophalen en meewarig glimlachen? Helemaal niet! Wanneer men, naast zijn hoofd in de wolken, ook zijn voeten stevig op de aarde kan houden, dan is succes binnen handbereik...zo leren ons deze boeken toch. Dus boppers, volg die droom, ga die B&B uitbaten of dat fruit telen. De beloning kan groot zijn. Lukt het niet kun je er nog altijd een boek over schrijven.