Pagina's

Posts tonen met het label psycho-analyse. Alle posts tonen
Posts tonen met het label psycho-analyse. Alle posts tonen

vrijdag 15 januari 2010

Sex with Aliens...

Deze week ‘Avatar’ gezien. Neen, dit is niet de zoveelste bespreking van de nieuwe film van James Cameron, die hard op weg is om met zijn bezoekersaantallen en opbrengsten een aantal nieuwe records te vestigen. Ik ga het hier niet hebben over de 3D technologie die een nieuwe norm lijkt te introduceren voor een rijkere filmbeleving noch over de echte kracht van de film die ligt in de minutieuze recreatie van een geloofwaardige, rijke en waarlijk exotische planetaire ecologie. Daar heeft iedereen ondertussen wel zijn ding al over kwijt. Neen, ik ga het hebben over de seksuele aantrekkingskracht tussen de hoofdpersonages, die het ware enigma van de film uitmaakt. Verrast? U zou het in feite niet mogen zijn. Want denken we hier even over na, dan stoelt deze verhouding tussen de na’vi Neytiri (Zoe Saldana)en Jake Sully (Sam Worthington)op een totaal waanzinnige identificatie. Of niet? In alle geval is hun verhouding het kloppend hart van de film.

Voor de mensen die de film nog niet zouden gezien hebben: De kreupele Jake Sully wordt in het lichaam van een bewoner van de planeet Pandora ‘gedownload’. Klinkt al serieus funky, maar dan moet je ook nog weten dat de planeet bevolkt wordt door een ras van 3 meter hoge, blauwe autochtonen met een staart! In zijn nieuw lichaam (avatar) wordt hij –zoals dat wel meer pleegt te gebeuren in de film – verliefd. Hier springt de vonk over op een lenige blauwe amazone, Neytiri, dochter van de hoofdman van de stam. Dit na’vi meisje ziet er behoorlijk anders uit dan het doorsnee vrouwelijke object van verlangen. Drie meter is dus echt wel groot voor een vrouw, hoor. Je gaat nu wel zeggen, die Jake, die is nu toch ook een na’vi, hij ziet er toch ook zo uit. What’s the problem? Het probleem beste Boppers, is dat de avatar, hoewel van uitzicht dus een blauwe reus, nog steeds de ‘menselijke’ persoonlijkheid heeft van Jake. Een mens die in een ‘menselijke’ (waarmee ik bedoel geen na’vi) psychologie en menselijke architectuur van primaire en secundaire identificaties zijn ‘subject’ en lichaamsbeeld heeft verworven. Dus de kans is zeer klein dat een mens (OK, laten we de seksuele perversies even buiten beschouwing) op iets anders dan een mens zou kunnen verliefd worden. Ik kan u verzekeren dat indien als gevolg van een mutatie plots een meisje zou worden geboren met een katachtig uiterlijk, blauw, met een staart en die opgroeit tot een smurf van 3 meter, ze bezwaarlijk veel aanbidders zal hebben. (OK, opnieuw laten we de perversies buiten beschouwing…)

Je zou nog kunnen opwerpen dat Jake verliefd wordt op een aantal tekens of betekenaars die op Neytiri kleven zoals een manier van bewegen, een oogopslag, een intonatie, een blik, een lach, een bepaalde houding. Maar dan is het duidelijk dat hij juist de interpreteerbare menselijke elementen gebruikt om zijn verlangen aan vast te kleven en enkel door de aanwezigheid hiervan daadwerkelijk zijn object van verlangen binnen Neytiri kan vinden. Met andere woorden, het blijft Jake Sully die verliefd wordt op Zoe Saldana, die Neytiri gestalte heeft via ‘performance capture’. Dus als we zeggen: enkel in de film, dan is dit ook de eenduidige waarheid, Jake kan enkel verliefd worden op de ‘gefilmde’ Neytiri.

Dus het gebeurt in de film en is zo verantwoordelijk voor meer dan twee uur kijkplezier. Als ik zou schrijven ‘kijkgenot’ is het omdat ook ik in Neytiri de menselijke tics van Zoe Saldana herken. Maar het gebeurt niet alleen in de film.

Ook in de literatuur zijn er legio voorbeelden te vinden van cross- specie gerampetamp. Nemen we de onvolprezen Miles Naismith Vorkosigian als eerste voorbeeld. Miles is het hoofdpersonage van de met prijzen overladen ‘Vorkosigan’ saga van Lois McMaster Bujold, een vrijbuiter en huurling, klein van formaat wegens zwakke botten, erfgenaam van een voorname familie en undercover in dienst van de Keizer van Barrayar, moet hij het volledig van zijn persoonlijkheid hebben. Wat hij noemt zijn ‘forward momentum’. In het kortverhaal ‘Labyrinth’ (verschenen in ‘Borders of Infinity’)moet hij het DNA van een gengemanipuleerde soldaat zien te bemachtigen. Die soldaat blijkt een vrouwelijke, katachtige reus te zijn met klauwen en slagtanden, een adolescent met gierende hormonen en aangezwengeld metabolisme, waar Miles uiteindelijk mee van bil gaat. Vooreerst om zijn hachje te redden maar uiteindelijk zal deze act de basis vormen voor een blijvende vertrouwensrelatie. En sergeant Taura wordt vanaf haar rekrutering in het huurlingenleger van Miles niet alleen een hartsvriendin maar ook een lieveling van het grote lezerspubliek van de Vor boeken.

Ook de grande dame van de SF literatuur Ursula K. Le Guin, laat zich niet onbetuigd. In ‘The lefthand of Darkness’ blijkt een planeet bevolkt door een ras die op gepaste tijden van sekse veranderen, en dit zelf ook een beetje kunnen sturen. Van vrouw naar man en terug. De hoofdpersoon, een menselijke ambassadeur moet uiteindelijk vluchten en kan enkel met de hulp van een inboorling ontsnappen. Samen beleven ze heel wat ontberingen en groeien ze uiteindelijk naar elkaar toe. Laten we zeggen dat er iets moois openbloeit.
Dus Boppers, staar jullie niet blind op de na’vi maar wees verrukt in de wetenschap dat de menselijke verbeelding en diens seksueel optimisme letterlijk alle grenzen overstijgt. Sexytime, zou Borat zeggen!

dinsdag 8 december 2009

The game is afoot!

Oorspronkelijk te vinden in Shakespeare (King Henry IV) maar veelvuldig gebruikt door het prototype van de ‘rationele’ detective, Sherlock Holmes, kondigt deze uitspraak veelal de echte start van het avontuur aan. De hoofdrolspeler heeft de handschoen opgenomen en zich als doel gesteld de snoodaard van dienst tot de orde te roepen. De onverlaat zal zijn of haar verdiende loon niet langer kunnen ontlopen. Gerechtigheid moet er zijn! Maar hoe de protagonist daar uiteindelijk, door zijn vernuft, branie en panache zal in slagen, maakt juist de kracht van het verhaal uit.
Het detectivegenre is oneindig divers in al zijn mogelijke uitingsvormen en verschaft ganse lezerscharen bakken leesplezier omdat we toch allemaal willen weten wie het gedaan heeft.
Ik hou van de klassiekers maar ook van nieuwe verhalen in bekende settings, heruitgevonden avonturen door creatieve schrijvers nieuw leven ingeblazen. Schrijvers die zowel gebruik maken van een gedeelde terminologie en de gekende conventies en tradities van het genre, maar tevens ook nieuwe elementen aan het canon toevoegen, zowel in thema, aanpak als stijl.

Laat ik daarom beginnen met Caleb Carr’s debuut ‘The Alienist’. (Vertaald als ‘De Ontmaskering’.) New York, negentiende eeuw (in de beste ‘mist en koets’-sfeerscheppende traditie) een seriemoordenaar heeft het gemunt op prostituees en de burgemeester (een jonge Theodore Roosevelt) roept de hulp in van dokter Laszlo Kreizler, die zich in het donkere hart van de moordenaar dient te verplaatsen. Dokter Kreizler is een soort van proto-psycholoog of ‘alienist’ zoals men dat in de begindagen van die wetenschap omschreef. Hij houdt zich namelijk bezig met mensen die ‘vervreemd’ zijn van de maatschappij (lees: gek). Wat het boek zo fascinerend maakt om te lezen is de aanpak van dokter Kreizler. Caleb Carr beschrijft het alsof Kreizler de eerste is die een soort van psychologische profilering probeert toe te passen om de moordenaar te vatten. Daarbij wordt hij bijgestaan door twee jonge agenten die op hun beurt ook als eersten in hun vak een aantal principes en nieuwigheden op het vlak van forensisch onderzoek toepassen. Hoe dit zich ontplooit en verhoudt in het spanningsveld van onbegrip en weerstand van een gevestigde orde en een reeks van venijnige moorden gepleegd door een schijnbaar ongrijpbare sadist, maakt van dit boek een adembenemende leeservaring.

Men kan het er ook nog dikker opleggen en Sigmund Freud effectief laten meespelen in het verhaal. Dat doet Jeb Rubenfeld in ‘The interpretation of Murder’. Een allusie op Freuds meesterwerk ‘The interpretation of dreams’, probeert het Freuds negatieve ervaring van een bezoek aan New-York in 1909 te herschrijven. De setting is gelijkaardig en Freud en een jonge Amerikaanse onderzoeker worden ingeschakeld in de zoektocht naar de dader van de overval op een jong meisje die na haar gruwelijke ervaring gebonden werd teruggevonden. Het slachtoffer herinnert zich niets meer van het voorval en verkeert in de onmogelijkheid om erover te praten. Ja hoor, het trauma werd ‘verdrongen’ en Freud moet de inzichten uit zijn embryonaal wetenschapsgebied toepassen op een meisje die nogal wat gelijkenissen vertoont met ‘Dora’, het onderwerp van een echte gevallenstudie van Freud. Opnieuw is de historische enscenering en de manier waarop men de misdaad probeert te ontrafelen verantwoordelijk voor het leesplezier. Dit is zeker niet de eerste keer dat Freud ter hulp wordt geroepen. In de hoogst amusante film ‘The Seven Per-Cent Solution’ van Herbert Ross met Alan Arkin, Vanessa Redgrave en Robert Duvall wordt Freud ingeschakeld om Sherlock Holmes van zijn cocaïneverslaving af te helpen. (7 % oplossing) Best grappig, daar we allemaal weten dat Freud (in real life) een gelijkaardige demon heeft moeten overwinnen. Meer over Sherlock en diens epigonen in de volgende blogpost!!

woensdag 2 september 2009

She blinded me with science...(2)


Een citaat uit ‘Griekse Tango’ van de onnavolgbare Drs. P:

"Ja deze pi, dat staat te lezen in de encyclopedie, is eeuwenoud en wetenschappelijk en Grieks en vol magie. Als ik zo pieker over pi spreekt u wellicht van een manie. Maar zijn wij allen niet neuro-, fana-, roman- of mystici. Een ander heeft een kolibrie, een relikwie of een fobie. Maar ik verdiep me onophoudelijk en zonder compromis. In dit unieke en verheven wonder der planimetrie. Ik zoek het antwoord op het grote raadsel pi."

Lang leve onze recent gefêteerde toondichter! (Dit geheel terzijde: ik wil u twee van zijn meer hilarische pseudoniemen niet onthouden: Lars Brahe en Alois Mückenspucker.)

De wiskundige zandbak is dus ook een uitnodigend speelterrein voor minder wetenschappelijke lieden. Schrijvers en filmmakers putten veelvuldig uit een rijke bron van intrigerende raadsels in een onderhoudend proces van magische confabulatie. Een voorbeeld is Darren Aronofsky's 'Pi', een heerlijke zwart-wit film met een verschroeiende soundtrack, over een wetenschapper op zoek naar wiskundige patronen in de natuur. Ook de Torah en de Kabbalah worden er bij betrokken. Twee observaties moeten hierbij worden gemaakt. Want we kunnen dit niet zomaar op zichzelf aannemen. Deze en gelijkaardige films of boeken verhullen meestal een diepere fascinatie. Eerste observatie: Er wordt van uitgegaan dat de symbolische orde rondom ons, een wetenschap en kennis verhult die binnen deze betekenende structuur op zichzelf kan bestaan. Dat er een onafhankelijke logica aan het werk is. Dit terwijl de psycho-analyse ons leert dat de betekenaars, de taal, het symbolisch veld een puur contingent karakter hebben, waardoor elke betekenis die zou kunnen ontstaan (buiten de intentie van de spreker om) een geheel spontaan, arbitrair en toevallig karakter heeft. Onthou even dat een pyschoticus dit niet kan aanvaarden, voor hem/haar is er een kracht achter de schermen aan het werk die de symbolische orde stuurt. Die kracht stroomt later meestal het reële binnen in de vorm van een achtervolgende ander.

Tweede observatie: Het hoofdpersonage uit 'Pi' wordt geplaagd door barstende koppijn. Er wordt misschien ook gesuggereerd dat hij ze niet allemaal op een rijtje heeft. Hier ontmoeten we het cliché van de gekke professor. Het idee dat uitzonderlijke intelligentie gepaard gaat met waanzin. Of is het eerder zo dat waanzin het gevolg is van een mislukte poging een uiterst moeilijk en hermetisch idee te ontsluiten? Alsof er concepten en ideeën bestaan die van een dergelijke moeilijkheid blijk geven dat ze slechts eventjes kunnen aangeraakt worden, als gloeiende kooltjes, door een brein waarin onvermijdelijk dan ook een aantal circuits doorbranden.

De uitstekende documentaire 'The Story of Maths' op BBC 4 lijkt een en ander te staven. Topmathematici worden immers altijd beschreven als zeer excentriek en het is verbazend te zien hoeveel er tijdens een zoektocht naar een of ander bewijs ten onder zijn gegaan in depressie en psychose. (Cantor, Gödel,..) Wat is hier oorzaak en gevolg? Tentatief kunnen we misschien stellen dat bepaalde wiskundige ideeën structurele parallellen vertonen met de niet-symboliseerbare kern in het reële, dat wat in lacaniaanse termen weigert zich te symboliseren. En dat, op het scherp van de wiskundige snee, de eenzame vorser dit gat - in zijn of haar psychische economie - enkel kan dichten door een autonome kennis in het symbolische te deponeren: 'Het bestaat, ik weet dat het waar is, maar ik kan het niet bewijzen...' Een mogelijk resultaat is dan de terugkeer van deze kennis in de vorm van een paranoïde waan.

Men zou het hierbij kunnen laten. Een grappige denkoefening van een amateur, een hypothetisch hebbedingetje. En toch...wat moeten we dan denken van de Podolsky-Rosen paradox in de Fysica. Hier werd het aantoonbare bewijs geleverd dat elk deeltje van twee verstrengelde en later gescheiden deeltjes op elke moment kennis heeft van de spin van het andere deeltje en deze kennis ogenblikkelijk met de ander deelt (en sneller dan de snelheid van het licht...en welke 'can of worms' hiermee open getrokken wordt, laten we nog even buiten beschouwing) waardoor het dan wel weer lijkt alsof de diepere kern van ons bestaan, op het niveau van de constituerende krachten van ons universum, een structurerend kader van pure kennis is.
Lig er niet wakker van, beste Boppers...maar het zijn boeiende tijden.

maandag 3 augustus 2009

Popular Science: Life, the Universe and Everything

Soms, wanneer door voldoende bier aangespoord, de gesprekken belanden in dat restlandschap waar dromen nooit vergaan of waar de grote levensvragen in de coulissen staan te wachten voor een bisnummer, kan het gebeuren dat een onverlaat de vraag stelt naar het begin. Het begin van alles: the life, universe & everything. Opgeladen door weer een goed wetenschapsboek voor de leek (en er zijn er nogal wat tegenwoordig) wordt men uiteindelijk toch weer geconfronteerd met de eigen onkunde (hogere fysica is helaas voor de enkeling) of het onvermogen van onze verbeelding om nog net die pas achteruit te nemen tot voor de Big Bang, en dan wil een mens daarover wel eens van gedachten wisselen.

De redenering is u wel bekend. Voor de Big Bang was er niets. OK, maar wat is niets dan? De afwezigheid van iets. Maar zo definieer je toch niets in termen van iets (dat er nog niet was)? En dat niets, hoe zag dat eruit? Tot men uiteindelijk tureluurs, maar ook met een zeker onbehagen, het gesprek naar meer vertrouwd terrein terughaalt. Onze wetenschappers zijn gelukkig van harder materiaal gemaakt en zoeken dapper verder, elk op hun eigen gebied, naar dat verklaringsmodel of referentiekader waar ze zo veel mogelijk natuurlijke fenomenen mee kunnen vatten. Veel hangt hierbij af van de ambitie van het model en met welke vergrotingsfactor men de monsters onder de lens van de microscoop schuift. Laten we verder de fysica buiten beschouwing (of we komen algauw terecht in een toverlandschap van quarks, bosonen en strings) en ons concentreren op een aantal verklaringsmodellen voor het menselijk gedrag.

Sommigen hanteren een macromodel en zoeken een verklaring voor gedrag in de sfeer van ‘emergent behavior’ wanneer grote groepen individuen samen komen en op het groepsniveau subtiele feedbackmechanismen ontstaan die het individuele gedrag sturen. Een beetje zoals het gedrag van een grote groep vogels die in het zwerk synchroon heen en weer duiken en waar het lijkt alsof de massa één denkend wezen is, of het gedrag van een school vissen die in een fractie van een seconde allemaal samen plots in een andere richting zwemmen. In ‘Critical Mass, how one thing leads to another’ beschrijft Philip Ball op een boeiende manier een aantal groepsprocessen die gelijkaardige trekjes vertonen zoals het gedrag van personen in een meute (al dan niet in paniek) of het gedrag van files. Tevens wordt er mijn oude favoriet – de chaos theorie – bijgehaald om een en ander te verklaren. En je denkt..tuurlijk, zo is het, eindelijk een goede uitleg voor dit fenomeen.

Op het zelfde niveau gaan anderen het zoeken in meer economische drijfveren. Zo verklaren Steven D. Levitt & Stephen J. Dubner in ’Freakonomics’ het gedrag van makelaars, gangsters en leraren voor de klas vanuit een zuiver economisch perspectief en je denkt opnieuw : waw…knap gevonden, tuurlijk werkt het zo. Of neem Malcom Gladwell die in ‘The Tipping Point’ een aantal fenomenen verklaart vanuit sociologisch-virale hoek. Van de verloedering van een woonbuurt tot het succes van de politieaanpak van criminaliteit in New-York, ditmaal wordt alles in focus gebracht door het model van ‘sociale besmetting’. Andere modellen zoeken een verklaring voor gedrag vanuit de werking van het gezin (de systeemtheorie in de Psychologie) de werking van het individu (gedragsleer) of in de verdeelde werking binnen het subject waar de ene hand niet weet wat de andere hand doet (psycho-analyse). En ik laat nog een hele reeks meer esoterische verklaringsmodellen buiten beschouwing.

Wat moeten we hieruit leren Boppers? Wat lezen we hieruit? Dat wetenschappers meer buiten hun eigen grenzen moeten kijken? Absoluut. Zo worden bijvoorbeeld met succes modellen uit de biologie toegepast in de softwareontwikkeling. Een ander fantastische kruisbestuiving gebeurde tussen psychologie en statistiek in de ontwikkeling van ‘Chernoff’ gezichten. De resultaten van een data set worden hier visueel voorgesteld door een getekend gezicht. Omdat de menselijk geest veel krachtiger is in het analyseren van gelaatsuitdrukkingen dan in het interpreteren van reeksen cijfers. Dat men afhankelijk van het probleem, het juiste instrument moet kiezen? Zeker. Maar voor mij pleit het uiteindelijk voor het behoud van een open geest. Weg met die barrières! Organiseer groepsretraites voor wetenschappers uit diverse gebieden. Sluit ze op. Zorg voor genoeg pizza, bier, breedband en laptops en laat hen elkaar -in een wilde mentale dans- met opwindende ideeën bevruchten..daar groeit zeker iets moois uit.

dinsdag 7 juli 2009

Het Reële en de Aliens in ons...

Peter Watts (de schrijver, niet het fictieve personage uit de onderschatte en te vroeg ter ziele gegane TV serie ‘Millennium’) heeft met ‘Blindsight‘ zijn vijfde boek afgeleverd. Een niet onaardige poging om First Contact met buitenaardse aliens te beschrijven. Van opleiding marinebioloog, had hij in zijn debuutroman ‘Starfish’ uit 1999 een ganse menagerie aan exotisch diepzeeleven laten opdraven, waarvan de - in de echte wereld bestaande - specimens de grenzen van de verbeelding met verve aftastten. Met ‘Blindsight’ heeft hij echter alle stoppen uitgetrokken, recente inzichten in een veelheid van wetenschapsdomeinen tot ver buiten hun initiële stellingen geëxtrapoleerd en een alien gecreëerd de term waardig. Geen ‘Star Trek’ alien gebaseerd op een menselijke template, noch een knuffel-ET, maar een ‘ding’ dat ons begripsvermogen overstijgt. Dat gaat reeds een heel eind in de goede richting om ons te entertainen maar geeft ook aanleiding tot een fundamentele vraagstelling. Wat is ‘Alien’? Wat als iets nu waarlijk vreemd is aan onszelf, zo vreemd dat we er geen woorden voor hebben, zouden we het dan met symbolen proberen te omsingelen of zouden we, overmand door angst de andere kant uit rennen, op zoek naar de uitgang? En wat als het ‘vreemde’ nu eens enkel bestond in onszelf en niet buiten ons?

In de psychoanalyse spreekt men over het Reële (niet te verwarren met de realiteit die uiteindelijk maar een construct, een model is) als datgene wat niet in woorden kan gevat worden, wat niet door de taal beheersbaar kan gemaakt worden. Het is in essentie een gapende kloof waarbinnen elke betekenis verdwijnt. Dit ‘tekort ‘ installeert ons als verlangende subjecten die middels een fantasme of wensdroom een verloren gegaan object terug binnen willen halen. Het is wat ons bij uitstek menselijk maakt. Dit steeds verschuivende verlangen maakt dat we verliefd worden en houdt ons de spiegel van totaal geluk en genot voor. Het maakt dat we op de lotto spelen en mensen op de maan zetten.

Maar het Reële fundeert ook de angst, waardoor elke angst verwijst naar het fundamentele afgrijzen door die betekenisloze kloof te worden opgeslorpt, zichzelf letterlijk – en letter voor letter - hierin te verliezen. Slavoj Zizek beschrijft het beter dan ik in ‘Schuins beziend’ zijn unieke analytische lezing van een aantal hedendaagse cultuurproducten. Zo haalt hij het SF kortverhaal ‘The unpleasant profession of Jonathan Hoag’ van Heinlein uit 1942 aan, waarin het hoofdpersonage uiteindelijk op het mythische dertiende verdiep wordt toegelaten en er te horen krijgt dat binnen onafzienbare tijd de ‘wereld’ zal herschreven worden en aangeraden wordt op dat specifieke moment vooral niet naar buiten te kijken. (Yeah, right!) Onderweg naar New-York gebeurt het onvermijdelijke: hij draait het autoraampje naar beneden en wordt geconfronteerd met een soort grijze kolkende ‘afwezigheid’ die hem de stuipen op het lijf jaagt. Datgene waar geen woorden voor zijn, valt dus onherroepelijk onder de mantel van de horror.

Andere kunstenaars hebben dit op hun eigen manier vorm proberen te geven. David Lynch met ‘Lost Highway’ waar de scènes op het strand onder de schaduw van het Reële vallen en een ‘unheimlich’ gevoel creëren dat bijna onhoudbaar wordt. Of neem Stephen King, met bepaalde stukken uit de Dark Tower cyclus. We herinneren ons toch nog Blaine, het op hol geslagen psychotische brein dat de trein bestuurt waarin onze helden zitten opgesloten? (Blain’s a pain and that’s the truth!) Of bepaalde flarden muziek van CocoRosie die als een ritmische bezweringsformule een barrière proberen op de werpen tegen een niet aflatende en voortkruipende angst?

Een ander kenmerk van echte horror zoals vormgegeven door het Reële, is dat het steeds als een plotse en onverwachte aanval op ons afkomt, zonder verklaring, zonder woorden en ontoombaar zoals een op hol geslagen trein (Blaine opnieuw). We kunnen er ons moeilijk aan onttrekken en worden als het ware in een draaikolk meegezogen. De confrontatie met horror is dus een confrontatie met een afwezigheid in ons, een alien-in-ons, die ons onnoemelijk meer angst inboezemt dan de alien-buiten-ons.

Tenzij die alien zich aandient in het culturele veld, handig vormgegeven door de successchrijvers van het genre. Wat ironisch is, want het is juist de taal, dat reservoir aan betekenaars dat ons als sprekende en verlangende wezens fundeert, die door de onvermijdelijke gaten in het spinnenweb van woorden waarmee we de wereld proberen te vangen, ons zo ontvankelijk maakt voor die angst. In afgezwakte versie best genietbaar in boek en film daar die juist een extra talige bescherming vormen tussen onszelf en …de alien within. Dus beste Bopper, weet dat je vannacht niet alleen bent, wanneer je wakker schrikt bij het horen van een verdacht geluid uit de woonkamer…

zaterdag 6 juni 2009

Movie Magic !

Ik kreeg het deze week eventjes benauwd. Men gaat ‘Hyperion’ van Dan Simmons verfilmen. Ik ga het niet over dit boek hebben, dat is stof voor een andere post. Het volstaat aan te geven dat dit magistrale boek, een enigmatische en ontroerende raamvertelling vol knetterende ideeën en virtuoze sfeerschepping, één van mijn all-time favorites is. Hoeft het gezegd dat ik mijn hart vasthoud bij het anticiperen van het resultaat.

Want laten we eerlijk zijn, slechts weinig (SF) boeken vertalen goed naar het scherm. En niets houdt zoveel risico in als een boekverfilming of de remake van een eerder succes. Maar nog steeds trekken wij fans en liefhebbers met ongefundeerde verwachtingen en blije hoop naar de filmzaal, er van overtuigd dat ditmaal ons geliefkoosd boek (dat reeds een eigen leven is gaan leiden in onze verbeelding) zijn vele nuances, pakkende beeldspraak, beklijvende personages en weidse panorama’s mee heeft genomen in zijn metamorfose naar het witte doek. Het resultaat valt dikwijls tegen. Nochtans blijven we met een zekere hondse volharding hopen op beter. We zijn zelfs bereid hier en daar wat zaken door de vingers te zien om wat langer te kunnen verblijven in deze wereld, oorspronkelijk zo mooi vorm verleend in ons boek. Wat we hierbij veelal vergeten, is dat in deze sprong naar pelicule, het literaire materiaal nogal wat filters en mallen dient te passeren. Zo wordt het verhaal gekleurd door het fantasme van de regisseur, het verlangen van de scenarioschrijver, de blik van de belichter, ….inclusief de ambities van de studiobazen en marketinglui.

Het mag daarom een wonder heten dat het soms lukt (Lord of the Rings). Meestal is het resultaat onevenwichtig (Dune, Starship Troopers, I am Legend) of ronduit bedroevend. Oorzaak hiervan is, dat de wereld waarin het boek ons onderdompelt bij uitstek wordt gecreëerd door de subjectieve en individuele verbeelding van de schrijver EN van de lezer, waardoor het reeds van bij de aanvang verkleeft met onze eigen unieke manier waarop wij in het leven staan. Geen enkele film (resultaat van een collectief) kan hier tegenop. Elke verfilming draagt dus steeds het risico in zich dat het wordt opgevat als een krenking, een belediging aan het adres van onze verbeelding en dus onvermijdelijk ook van ons zelf. En dan krijgen de arme regisseur en scenarist het in de forums zwaar te verduren. Maar het kan ook anders. Wat wanneer film vertrekt van een blank canvas? Wanneer het gebaseerd is op een origineel script? Als ik mezelf als steekproef (n=1) neem (maar dan mag ik ook niet lichtvoetig extrapoleren) moet ik besluiten dat een film soms zwaarder doorweegt dan een boek. Dat een film me soms dagen in de ban kan houden, me echt gevangen kan nemen in het verhaal, me echt bij de keel kan grijpen op een manier waarop een boek dat niet kan. Hoe is dit mogelijk? Moet ik nu de naam van deze blog veranderen in ‘De Filmknul’? Have no fear, beste boppers. Het zal zo’n vaart niet lopen.

Maar neem nu ‘Mulholland Drive’ van David Lynch. Visueel en narratief begeesterend met een soundtrack die deze ervaring zowel aanvult als versterkt, zoals de slagroom op een Dame Blanche. Ik heb deze film nu meermaals gezien en nog steeds word ik meegezogen in die prachtige draaikolk van beelden en emoties. (De ontmoeting met de ‘cowboy’ op een verlaten donkere ranch, de scène met de cappuccino, de jongeling die in de ‘diner’ aan zijn vriend zijn nachtmerrie vertelt,…) Spreek ik dan nog niet over de knappe structuur waarin het eerste deel van de film na weken nadenken plots begrijpbaar wordt (in de mate van het mogelijke, het is nog steeds Lynch) als spiegelopstelling van het tweede deel zolang je de juiste semantische sleutel maar hanteert. Ik heb nog steeds geen boekequivalent gevonden voor deze soort filmervaring. Als psycholoog kan ik een mogelijke, hoewel dogmatische, verklaring aanbieden. Een boek leest men, naar een film moet je kijken en luisteren. Het manipuleert op een veel directere manier de ervaring omdat het twee objecten van verlangen in de strijd kan werpen, wat het boek niet kan. Namelijk de blik en de stem. Het zijn vehikels van het verlangen. We kunnen erop verliefd worden…een bepaalde manier van kijken, een bepaalde klankintonatie en we zijn verloren….En daarom beste boppers, kan film ons danig vatten en - soms – een streepje voor hebben op een boek. Movie Magic indeed!

maandag 1 juni 2009

Wass will das Weib?

Dit is een moeilijke. De start van de associatieve ketting die me bij deze vraag deed stranden was een geschenkje dat ik kreeg voor mijn verjaardag. Een DVD box met twee topafleveringen van 'Top Gear'. U weet wel, de boys en cars televisie van Jeremy Clarkson en vrienden. Niet dat ik een diepgaande interesse heb in wagens maar het programma drijft op een sfeertje van joligheid,stoerdoenerij en soms welgekomen politiek incorrecte uitspattingen. Dus kan ik het bij wijlen best smaken. Hoewel een recente aflevering, waarbij ze het automobiele equivalent van een vossenjacht demonstreerden in een ongerept en frisgroen Engels landschap als de eerste de beste hooligans, me een beetje teleurstelde wegens het gratuite karakter. Maar Clarksons boeken zijn best te pruimen en gaan vlot over de toonbank wegens een onverbloemd taalgebruik en Engelse flair voor understatement en humoristische vergelijkingen.

Soms denk ik dat het Engels echt wel de taal is waarin je het grappigst kunt zijn. Zijn er eigenlijk Duitse stand-up comedians? Start met 'The World according to Clarkson' of met 'I know you got soul' voor een middagje ongecensureerd plezier. Juist omdat 'Top Gear' zich niet enkel beperkt tot het opgeven van technische specificaties of besprekingen van nieuwe wagens, kan het programma ook vrouwen bekoren. Bij een ander mannenprogramma liggen de kaarten ietsje anders. 'Man Liberation Front' (MLF) moet echter bekeken worden als de uitvergroting van een aantal man-vrouw verschillen voor komisch effect. De bekende clichés, die ze nogal breed in de verf zetten, zijn een vruchtbare voedingsbodem voor grappen die soms dicht aanleunen bij een biergeïnduceerde tooghumor. Maar ook daarmee kan ik ten gepaste tijde lachen...ik ben tenslotte maar een man. Maar niet zo de dames van Wax, de vrouwenbijlage in 'De Morgen', die zich wekelijks ook over hetzelfde vraagstuk buigen, maar dan vanuit een meer genuanceerde en feminiene hoek. Cathérine Ongenae liet zich in een editoriaal niet onmiddellijk eenzijdig positief uit over het beeld van de vrouw die MLF vaak ophangt. Of meer bepaald over de mannen die bepaalde dogma's ontdaan van hun humoristische opsmuk voor waarheid aannemen. Uiteindelijk gaat alles terug op het enigmatische verschil tussen de sexen dat ons sinds mensenheugnis in de ban houdt. Ook Freud vroeg zich op het eind van zijn loopbaan nog perplex af: 'Wass will das Weib?'. Regelmatig verschijnen er boeken die een en ander proberen te verklaren, soms vanuit een evolutionaire hoek, soms vanuit een puur biologisch-hormonale hoek, soms enkel gebaseerd op pure huis-, tuin- en keukenweetjes.

In 'Liefde in tijden van eenzaamheid', drie verhandelingen van Paul Verhaeghe, hoogleraar aan de Universiteit Gent, psycho-analyticus en een oud prof van mij, gaat hij terdege in op de verschillen tussen man en vrouw vanuit psycho-analytische hoek. Hoe we doorheen onze prilste relaties als kind, onze posities opbouwen tov. macht, autoriteit en sexualiteit. In heldere woorden breit hij er aan passant nog eens een uitleg aan vast waarom onze hedendaagse maatschappij met haar dwingend imperatief van 'Genieten' - (Je verdient het!) - ons helaas ook opzadelt met een nooit eerder geziene wildgroei van sociale versplintering, angst en agressie. Het lijkt een ganse boterham en dat is het ook, maar dit boek plaatst een veelheid aan clichés, opvattingen over rolpatronen en wezenlijke man-vrouw verschillen in een meer helder daglicht. En het opgebouwde referentiekader is robuust genoeg om een aantal socio-culturele ontwikkelingen te duiden. Zoals waarom de RAP er na de Blues is gekomen of waarom sommige vrouwen zo gek zijn van doktersromannetjes of waarom mannen sneller aansluiting vinden bij hiërarchische structuren dan vrouwen. Het antwoord op de vraag 'Wass will das Weib?' is hiermee opnieuw een beetje uitgebreid. Volledig zal het nooit worden beste boppers, gelukkig maar. Een beetje mysterie moet er blijven, hoe gaan we anders nog met elkaar omgaan?