Pagina's

Posts tonen met het label lezen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label lezen. Alle posts tonen

maandag 31 mei 2010

The Hall of Shame!

Wat een idee! Op zoek naar een bepaald boek tussen haar vele boekenplanken verspreid over het oude boerderijhuis waar ze woont, komt Susan Hill tot de conclusie dat ze makkelijk een jaar verder kan zonder nieuwe boeken te kopen. Ze hoeft enkel maar de boeken te lezen waar ze om een of andere reden nog niet is toegekomen of die ze ooit heeft dichtgeklapt zonder uit te lezen, maar waarbij ze zich had voorgenomen alsnog een poging te wagen. Zo gezegd zo gedaan. En omdat ze een schrijfster is, schrijft ze natuurlijk een relaas over haar jaartje ‘bijlezen'. (Howards End is on the Landing) Best leuk om te zien hoe eenieder om andere redenen speciale relaties opbouwt met boeken en hoe uiteindelijk de scheikunde van de aantrekking/afstoting tussen schrijver en lezer op zoveel verschillende manieren (of niet) kan verklaard worden.


Daarom Boppers, krijgen jullie deze week een overzicht van de skeletten in mijn boekenkast. Boeken die ik onderweg langs de kant heb gegooid of boeken die ik heb gekocht maar nooit ben ingedoken...wat ook de reden mag zijn.

Eco? ‘De Naam van de Roos’? Niet uitgelezen? Ik schaam me dit te moeten toegeven. Ik heb ontiegelijk veel genoten van ‘De Slinger van Foucault’ maar heb ‘De Naam…’ na een honderdtal pagina’s moeten neerleggen. Ik geraakte maar niet in het verhaal, hoezeer de film me ook bekoorde. Een vriend had de theorie geopperd dat je altijd je eerste Eco boek het beste vindt. En dat Eco een soort van literair systeem hanteert dat via osmose beslag op je verbeelding legt, maar dat maar één keer kan doen.

‘The crimson Petal and the White’ (‘Lelieblank, Scharlakenrood’) van Michel Faber was er nog zo eentje die ik absoluut goed wou vinden. Meer dan 200 bladzijden in het verhaal kan de levensloop van het hoertje ‘Sugar’ me nog matig boeien ondanks Time Magzine’s beschrijving dat ‘een boek als dit beter is dan sex’. (Sic?)

Michael Chabon, schrijver van het fantastische ‘The amazing Adventues of Kavalier & Clay’ levert opnieuw een sterk verhaal af tegen het rijke verbeelde decor van het Joodse thuisland, hier verrassend gevestigd in Sitka, Alaska. ‘The Yiddish Policemen’s Union’ leest als een trein maar halverwege het boek doen de vele verwikkelingen, zowel als de volgehouden melancholische toon me tijdelijk van het lezen afzien. Maar ik pik hem ooit wel weer op.

Ook met ‘De Quincunx’ van Charles Palliser over John Huffams erfenis en diens wedervaren heb ik moeten stoppen. Ik heb nog altijd niet kunnen achterhalen waarom. Ik heb reeds tientallen gelijkaardige ‘Dickensiaanse’ romans met plezier verslonden (waaronder Dickens zelf) maar ‘De Quincunx’ bleek me te zwaar op de maag. Misschien dat ik deze winter nog eens een poging onderneem.

Een enorm gehypt boek was ook ‘Special Topics in Calamity Physics’ van Marischa Pessl.’ Yeah, sure! Hoewel stilistisch knap en inhoudelijk intrigerend liet ik het boek algauw voor wat het was. Vervelende etters die elkaar na-ijverig proberen uit de wind te zetten en een te gekunstelde protagoniste waren niet aan mij besteed.

Daarnaast staan er een aantal boeken reeds jaren ‘klaar’ om gelezen te worden. Ik hoef ze hier niet op te sommen. Maar jullie kennen ze wel. Het zijn de boeken die iedereen heeft en die iedereen moet gelezen hebben. Ik neem er één uit omdat ik stiekem wel weet dat ik er ooit nog wel mijn tanden in zet, in tegenstelling tot de andere inerte boeken en dode letters die stof staan te verzamelen. Don Quichote van Cervantes, de dag komt eraan, dat weet ik zeker.

donderdag 13 mei 2010

Emma Bovary, dat ben ik!

Waarom lezen we? Waar dient literatuur voor. Kafka zei ooit dat ‘…ein Buch muß die Axt sein für das gefrorene Meer in uns. Das glaube ich.’ Een boek als een bijl om de bevroren zee in ons open te breken. Het moet dus iets in beweging zetten…misschien ons aan het denken zetten.
Als dat waar is dan kan ‘Madame Bovary’ van Gustave Flaubert (1821-1880) vergeleken worden met een drilboor!

‘Madame Bovary’ is geen leuk boek. Het wordt bevolkt door onaangename karakters, karikaturen bijna van ’s mens lelijke gaven zoals hypocrisie, afgunst, hebberigheid en egoïsme. Emma Bovary zelf is zowel kille moeder als – excusez le mot – hitsige minnares. Het is de kunst van Flaubert dat ie ervoor heeft gezorgd dat het geen bordkartonnen personages zijn maar karakters van vlees en bloed, behept met kleine kantjes en motieven die perfect zijn geïntegreerd in het verhaal dat als een talige symfonie moet gelezen worden. Want zo had Flaubert het ook bedoeld. De zinnen moesten een ritme hebben, een bijna muzikale structuur. Hij worstelde vaak en lang met de taal. Een gevecht dat hem tot wanhoop dreef. Hij laat dan ook Rodolphe – Emma’s minnaar – mijmeren dat’…het woord van de mens als een gebarsten ketel is waarop je een wijsje tromt dat nog net een beer aan het dansen krijgt, terwijl je de sterren zou willen ontroeren.’

De onmacht is dus een belangrijk thema. De onmacht om te zeggen wat je bedoelt, zonder clichés. De onmacht van de mens in het nastreven van zijn geluk. Maar wat is geluk? Wat maakt het leven de moeite waard? Deze vragen stelt Emma zich. Waardoor ze er ook de lezer mee confronteert. Deze tweede vrouw van een plattelandsdokter (een wat slappe goedzak die onwetend door het verhaal rolt) is op zoek naar iets dat de leegte binnen haar dient op te vullen. Maar wat is die oorzaak van haar ‘ingebakken’ onvrede? Is het haar situatie als vrouw binnen een door de 19de eeuw opgedrongen moreel keurslijf waartegen ze zich verzet? Is het, de door het lezen van romantische ‘feuilletons’ opgedrongen en overdreven mierzoete noties van ‘geluk’ en ‘liefde’ (op ironische wijze dik in de verf gezet door Flaubert) of is het de diepe onderliggende psychische structuur van een hysterische vrouw. Take your pick! Feit is dat het boek wel wijst in de richting van een onvermijdelijke kern van ‘afwezigheid’ en gemis in ieder van ons. Flaubert zei ooit: ‘Madame Bovary, dat ben ik.’ Ik zeg:’ Madame Bovary, dat zijn wij.’ Daardoor verdient ze – volgens mij - ook haar gruwelijk einde niet.

Het boek is ook een inkijk in een vergeten periode. Het is als de teletijdmachine van professor Barabas die ons een glimp toont van oudmodische gebruiken en klederdracht, gedateerde medische ingrepen, uitdrukkingen, menukeuzes en dies meer. Wie weet nog wat een sjamberloek is (kamerjapon voor heren?), een kapoets (bonten grenadiersmuts) of een bajadère (halssieraad).

We zouden ook nog kunnen aangeven dat Flaubert hier een aantal technieken gebruikt die de ‘moderne’ literatuur inluiden zoals de montage of de vrije indirecte rede, of dat het boek werd aangeklaagd bij zijn verschijning wegens moreel verderfelijk of dat het verhaal de middenklasse een spiegel wilde voorhouden. Het is dikwijls zo bij een klassieker dat het boek reeds met zoveel besprekingen, betekenis en symboliek is overladen dat het een eigen leven gaat leiden. Dat het uit de oevers van zijn eigen verhaal is getreden en een soort van onneembare burcht is geworden. De lezer reeds doet verstarren bij het idee dat hij of zij niet alle betekenis of nuances gaat opmerken.

Beste Boppers, laat dat jullie nooit tegenhouden. Lees een boek liever als een tabula rasa waarop het eigen oordeel kan neergepend worden. Lees het zoals het toendertijd op de markt werd gebracht. Maagdelijk en onbevangen. Zoals Emma aan het begin van het verhaal.

maandag 10 mei 2010

Over boeken...(alweer)

Een boekenliefhebber kent het gevoel. Je klooit wat in je bibliotheek en je wordt plots overvallen door een knagend gevoel van ontevredenheid. Een beetje uit het lood geslagen, kijk je eens goed rond. En dan komt het besef: je bent niet meer tevreden over de indeling van je bibliotheek. Of beter: je stelt vast dat de boeken uit hun kasten puilen. Er moet opgeruimd worden, plaats worden gemaakt en hopelijk moeten er zelfs extra planken worden gemonteerd.

Het is ook het ideale moment om de boeken af te stoffen. Stof en vochtigheid blijven de grootste vijanden van onze trouwe huisvrienden. Dus het was dan ook met veel plezier dat ik die taak aanvatte. Maar...je begint eraan met goede moed en je denkt: ik heb dit katje snel gegeseld. Ik heb er uiteindelijk een dag of 4 over gedaan. Elk boek is namelijk een uitnodiging om te spelemeien, je te laten afleiden door wat in essentie één grote verzameling excuses is om die stofvod aan de kant te gooien. Oude boeken worden liefdevol geopend, er valt een vergeten postkaartje van een vriend uit een boek, je twijfelt of je een boek nu wel eens 2 of 3 maal hebt gelezen..of je leest een korte inhoud om je geheugen op te frissen. Dat zou nu nog allemaal niet het ergste zijn, ware het niet voor probleem nummer 2: Hoe ga ik mijn boeken ordenen? Blijf ik bij mijn alfabetische indeling? Haal ik alle non-fictie eruit? Hoort deze biografie nu eerder bij geschiedenis of bij biografieën (algemeen)?
Procastrinatie is het onvermijdelijke gevolg.

Ieder heeft een eigen nauwe en soms wel hypersubjectieve relatie met zijn bibliotheek. 'At home with books' toont ons evenveel verschillende bibliotheken van verschillende mensen. Plaatjes van bibliotheken kijken is porno voor bibliofielen. Daar zijn we ons wel van bewust. Maar dan...aah... dat gelukzalige gevoel om te midden van je netjes opgeruimde en afgestofte boeken te zitten, glunderend in de wetenschap dat je volgend jaar opnieuw mag beginnen.

zondag 11 april 2010

Zeg me wat je leest...

Soms ontsluit een klein artikel een wereld van mogelijkheden en verhalen. Een beetje fantasie zet je al een goed eind op weg. Zei Proust al niet dat hij evenveel valabele inzichten haalde uit een zeepadvertentie als uit de ‘Pensées’ van Pascal?

Ik ga me niet meten met een schrijver van dergelijk allooi, maar soms sta ook ik stil bij wat op het eerste zicht een gecomprimeerd weetje lijkt, maar wat bij een tweede overpeinzing plots een eigen leven kan gaan leiden. Ik heb het over een boekenlijstje in de ‘Standaard Der Letteren’ van 9 april, meer bepaald de non-fictie bestsellerlijst. Het lijkt me dat ik onze ganse volksaard kan reconstrueren uit de kwansuis opgesomde boeken.

Wel moet ik waarschuwen dat een begrip als ‘volksaard’ of ‘identiteit’ een geladen term is. Ik geloof er trouwens niet zo in. Het definiëren van een volksaard ontaardt spoedig in een gevecht dat draait om kleine narcistische verschillen die de neiging hebben zich verder te profileren tot alleen het eigen subject als maatstaf overblijft. Zo konden onze zuiderburen onlangs getuigen toen ze in een verlicht moment de ‘Franse’ volksaard gingen beschrijven. Als deze oefening al iets mocht opleveren dat ‘de’ Fransman karakteriseert, dan is elk overgebleven kenmerk op die lijst vanuit een ander gezichtspunt even goed van toepassing op de Yanamamo indianen van Brazilië…ik zeg maar wat. Ook zij zijn met hun twee uur werk per dag duidelijk gewonnen voor de verkorte werkweek. Soit. Deze uitweiding had tot doel de grote voorwaardelijke wijsheid van de volgende paragraaf te onderstrepen.

Want als ik het lijstje afloop, dan kan ik niet vermijden dat er zich voor mijn geestesoog een beeld vormt dat me niet zo vreemd is. We hebben graag een eigen huis, nietwaar? (op 8: Wonen met stijl. Dromen van huizen.) En we houden het graag proper en net. (op 10: Sien en Maria.) We eten graag veel en goed. (op 3, 5 en 6: SOS Piet.) Als gevolg worden we soms geplaagd door een zondig besef. (op 4: De 10 principes voor een leven lang slank, van Sonja Kimpen.) We kijken graag naar de koers. (op 1: Flandriens en op 7: Het Ultieme Wielerhandboek van Tom Boonen.) En die islam, die blijft ons bezig houden. (op 2: Wie is er bang van de islam, van Selahattin Koçak en op 9: Nomade van Hirsi Ali.)

De Vlaming in een notendop? Bah nee, ‘de’ Vlaming bestaat net zo min als ‘de’ Fransman. Hooguit kunnen we concluderen dat we eigenlijk niet zo veel van elkaar verschillen en kunnen de analisten van de CIA hun landenprofiel weer wat updaten.

Als de Boppers iets moeten onthouden dan is het Proust’s wijze raad. Decomprimeer de kleine berichtjes uit de krant en ontdek een wereld van verschil.
PS. Een ander berichtje in dezelfde krant: Malcolm McLaren, één van de boegbeelden uit de punkscène van de jaren 70 is overleden, zijn zoon is eigenaar van het lingeriemerk Agent Provocateur… Wat zou Proust hierin hebben gelezen?

dinsdag 5 januari 2010

Het belang van Leven

Filosofie. Wie heeft het nog nodig? Wat kan het ons nog leren? In de twintigste eeuw hebben we het einde meegemaakt van de lange doodsstrijd van de grote idealen en ideeën. Twee wereldoorlogen en de onafwendbare doorbraak van een economisch discours op steeds grotere schaal, hebben ons uiteindelijk, beetje bij beetje, afstand leren doen van de overtuiging dat een ’filosofie’ omtrent, life, the universe and everything ons gelukkiger zou kunnen maken dan reality-TV en goedkope champagne.
En met een definitie als: ‘wetenschap die zich erop toelegt het wezen van alle dingen en de beginselen die aan het gehele zijn ten grondslag liggen, te leren kennen’ (van Dale Woordenboek hedendaags Nederlands – 2004), hoeft ons dat ook niet te verbazen. Ja, gebrek aan ambitie kun je de filosofen niet verwijten. Wie leest nu nog deze mannen met wilde haardgroei, vuur in de ogen en een ontiegelijk hermetisch taalgebruik?

Maar er is een andere betekenis, één die misschien wat nederiger is en die zijn bruikbare aard niet kan verbergen: levensbeschouwing. Hoe sta ik in het leven? Hoe ga ik om met het alledaagse? Hier wordt filosofie nuttig, waar zingeving op kleine schaal leidt tot meer harmonie, psychisch welbehagen en sociale cohesie. We leven in hectische tijden met heel wat economische, ecologische en culturele spanningen. Op termijn zal een oplossing moeten komen uit die hoek van durvers en denkers (noem ze dan maar filosofen) die ons een nieuwe ethiek, een nieuwe moraal kunnen aanreiken die voor een 21ste eeuw van toepassing kan zijn.

In 1937 verscheen ‘The importance of Living’ van de Chinese filosoof Lin Yutang. In dit boek probeert hij een brug te slaan tussen de westerse en oosterse levensbeschouwing. Lin Yutang condenseert voor ons eeuwen Chinese levenswijsheid en probeert hiermee een nieuwe ‘globale’ ethiek te creëren die gericht is op het waarderen van de simpele geneugten van het leven, een simpele fascinatie voor de trage schoonheid van een ‘evenwichtig’ leven. Men zag toen blijkbaar ook reeds in 1937 de bui hangen.

Centraal staan concepten als redelijkheid, wijsheid, mededogen en moed. Redelijkheid wordt beschreven als een tegengif voor het pure wetenschappelijke en logische discours want alle denken moet ook een ‘humane’ component in zich hebben: ‘…the reasonable spirit humanizes all our thinking, and makes us less sure of our own correctness…the opposite of the reasonable spirit is fanaticism and dogmatism of all sorts in thought and behaviour, in our individual life, national life, marriage, religion and politics..’ (Jaico Publishing House - vierde druk 2007 – p. 463) Dit betekent dat de meest logische oplossing niet altijd de meest humane is. Het grootste compliment dat men dan iemand kan geven is dat hij/zij redelijk is. Dat deze persoon ruimte heeft gelaten voor het humane, het afwachtende, het nuancerende bij het nemen van een beslissing. Dat onze beleidsmakers en wereldleiders dit eens zouden kunnen overpeinzen.

Maar wat het boek zo enorm leesbaar maakt, is dat Lin Yutang elk aspect van het menselijk bestaan onderdeel maakt van zijn filosofie, als daar zijn:

Sterfelijkheid: ‘He who perceives death perceives a sense of the Human comedy and quickly becomes a poet.’(p. 42)

Eten: ‘What is patriotism but love of the good things we ate in our childhood.’ (p. 49)

Ziekte: ‘A doctor who prescribes an identical treatment for an identical disease in two individuals and expects an identical development may be properly classified as a social menace.’ (p. 93)

Zingeving: ‘What can be the end of human life, except the enjoyment of it.’ (p. 134)

Gelukkig zijn: ‘Happiness for me is largely a matter of digestion.’ (p. 136)

Niks doen: ‘On the whole, the enjoyment of leisure is something which decidedly costs less than the enjoyment of luxury. All it requires is an artistic temperament which is bent on seeking a perfectly useless afternoon spent in a perfectly useless manner.’ (p. 165)

Vriendschap: ‘I do not think that…there have been more significant inventions in the history of mankind, more vitally important and more directly contributing to our enjoyment of leisure, friendschip, sociability and conversation, than the inventions of smoking, drinking and tea.’ (p. 239)

‘So then one may arm one’s self with books and a sword against solitude, and provide a ch’in (stringed instrument) and chess to anticipate the coming of good friends.’ (p. 241)

En zo gaat het maar door: 487 pagina’s lang heel concreet en bruikbaar advies dat ons doet nadenken. En daar gaat het uiteindelijk om. Dat men ‘in fine’, uit een goed boek, hier en daar iets kan terugvinden, oppoetsen en bijhouden….Beste boppers ik kan dit boek aan iedereen aanraden. We hebben meer Lin Yutangs nodig…

maandag 23 november 2009

Once more with feeling.....

In den beginne was er het woord. En het woord was goed. Het woord gaf ons leven. Want alles start met een verhaal. Een verhaal waarin mensen zich herkennen, een verhaal dat begeestert, waarin je jezelf letterlijk kunt verliezen. Soms is het spannend en meeslepend, soms is het leerrijk en verhelderend en leert het ons iets over onszelf. De beste verhalen zijn een combinatie van beide.

Maar een verhaal is niet genoeg. De gebeurtenissen moeten gedragen worden door karakters van vlees en bloed. Karakters met een achtergrond en een persoonlijkheid, een insteek en motivatie, geen bordkartonnen instrumenten ten behoeve van de plot, geen vrijblijvende plotmastiek. Maar dit is nog niet alles. Er is nog een derde element: dialoog. Wat ook de vorm is waarin men het verhaal vertelt (boek of film), het is de gehanteerde taal die ons uiteindelijk als een vis aan de haak het verhaal binnen trekt...willens nillens. Dialoog is de uiting van karakter, het stuwt de ontwikkeling van het verhaal, het maakt het verschil tussen geloofwaardigheid en oppervlakkigheid. Goede dialoog, geschreven door een schrijver (Stephen King, Elmore Leonard, Quentin Tarantino,…) met een oor voor spreektaal is een vrijkaart voor een topopvoering. Alles start dus met de schrijver. Met de creativiteit en het metier van degene die het verhaal of het script op papier zet.

Daarom heb ik een grote waardering voor mensen zoals Joss Whedon. Verantwoordelijk voor 7 seizoenen van ‘Buffy the Vampire Slayer’ (8 seizoenen als je de ‘comics’- continuatie meetelt) heeft hij met elke aflevering het Olympisch minimumniveau voor kwalitatieve TV shows ietsje hoger getild. Met elke aflevering ging je meer van de personages houden, en ondanks mijn grote afstand tot de demagogische doelgroep, werd ik langzaam en zonder verweer ondergedompeld in de ‘Buffyverse’. De show werd gekenmerkt door creatieve verhaallijnen, een frisse wedergeboorte van de oude vampierenmythologie, sprankelende dialogen en extreem grappig taalgebruik (Does anybody feel like they have been Keyser Sozed?) en een supercast! Een aantal memorabele afleveringen springen er toch uit. ‘The body’ een hartverscheurend en ingetogen confrontatie met de dood van haar moeder, ‘Hush’ een kippenvel inducerende horroruitstap zonder woorden en ‘Once More with feeling’: alles wat goed was aan Buffy, maar dan onder de vorm van een musical !!

Whedon liet het daar niet bij. Zijn volgende project, ‘Firefly’, ging over een groep vrijbuiters die uit de klauwen probeert te blijven van een centraal gezag met fascistische trekjes. Gesitueerd in een niet nader bepaalde toekomst vliegen ze space-opera gewijs van de ene uithoek van het heelal naar de andere. Maar hier opnieuw is de setting maar een excuus om goede (universele) verhalen te vertellen, gekenmerkt door een subtiele en uitgewerkte karakterontwikkeling. Helaas is deze show na 16 afleveringen ter ziele gegaan. Het is een terugkerend zeer bij genreshows dat de netwerken zeer snel een show aborteren wanneer de kijkcijfers tegenvallen. Vroeger werd een show nog de tijd gegund om langzaam een publiek op te bouwen. Maar die tijd zijn we intussen ook voorbij. Gelukkig had Firefly een grote schare fans en Whedon kon met de film ‘Serenity’ toch nog een en ander van zijn verhaalontwikkeling afronden. Maar helaas niet alles, en de fanboy in mij is uitermate ontstemd en bedroefd over de tal van mogelijke Firefly-avonturen die hierdoor ontbeerd moeten worden. Whedon lanceerde dan maar een hilarische webmusical ‘Dr. Horrible’s Sing-Along Blog’.

Daarna kwam hij terug naar televisie met ‘Dollhouse’, ook bij ons te volgen op 2BE, maar ondertussen reeds gesneuveld in de US tijdens het tweede seizoen. Het netwerk trok er de stekker uit. Ik heb een aantal afleveringen bekeken en het afvoeren van de show doet me weinig. ‘Dollhouse’ werkte niet voor mij. En ik vraag me af waarom Whedon, genie dat hij is, een van de grootste verhalenvertellers van het laatste decennium, niet heeft ingezien waarom. Omdat de premisse van de show ingaat tegen één van zijn basisstellingen. Je moet je namelijk kunnen identificeren met de hoofdpersonages. En dat gaat zeer moeilijk als de hoofdpersoon iedereen week telkens een andere persoonlijkheid krijgt ‘gedowndload’ en de rest van de karakters – pardon my French – (bijna)beuzakken zijn. De personages uit ‘Buffy’ & ‘Firefly’, daar had je graag bevriend mee geweest. Maar het kon me niet schelen wat er met die gasten uit ‘Dollhouse’ gebeurde…Dat is een regel met een heel breed toepassingsveld. Zo lees ik ook met node een roman uit waarvan ik het hoofdpersonage niet kan luchten….life’s too short for that, you know.

Voor Joss is nu de maat vol. Hij wil zich concentreren op Film en Internet, misschien nog comics…Hij zal wel een uitlaatklep vinden om zijn ding te doen. We hebben het volste vertrouwen in zijn kunnen en in zijn onbeheersbare drang om verhalen te vertellen. Komaan Joss, once more with feeling…

zaterdag 6 juni 2009

Movie Magic !

Ik kreeg het deze week eventjes benauwd. Men gaat ‘Hyperion’ van Dan Simmons verfilmen. Ik ga het niet over dit boek hebben, dat is stof voor een andere post. Het volstaat aan te geven dat dit magistrale boek, een enigmatische en ontroerende raamvertelling vol knetterende ideeën en virtuoze sfeerschepping, één van mijn all-time favorites is. Hoeft het gezegd dat ik mijn hart vasthoud bij het anticiperen van het resultaat.

Want laten we eerlijk zijn, slechts weinig (SF) boeken vertalen goed naar het scherm. En niets houdt zoveel risico in als een boekverfilming of de remake van een eerder succes. Maar nog steeds trekken wij fans en liefhebbers met ongefundeerde verwachtingen en blije hoop naar de filmzaal, er van overtuigd dat ditmaal ons geliefkoosd boek (dat reeds een eigen leven is gaan leiden in onze verbeelding) zijn vele nuances, pakkende beeldspraak, beklijvende personages en weidse panorama’s mee heeft genomen in zijn metamorfose naar het witte doek. Het resultaat valt dikwijls tegen. Nochtans blijven we met een zekere hondse volharding hopen op beter. We zijn zelfs bereid hier en daar wat zaken door de vingers te zien om wat langer te kunnen verblijven in deze wereld, oorspronkelijk zo mooi vorm verleend in ons boek. Wat we hierbij veelal vergeten, is dat in deze sprong naar pelicule, het literaire materiaal nogal wat filters en mallen dient te passeren. Zo wordt het verhaal gekleurd door het fantasme van de regisseur, het verlangen van de scenarioschrijver, de blik van de belichter, ….inclusief de ambities van de studiobazen en marketinglui.

Het mag daarom een wonder heten dat het soms lukt (Lord of the Rings). Meestal is het resultaat onevenwichtig (Dune, Starship Troopers, I am Legend) of ronduit bedroevend. Oorzaak hiervan is, dat de wereld waarin het boek ons onderdompelt bij uitstek wordt gecreëerd door de subjectieve en individuele verbeelding van de schrijver EN van de lezer, waardoor het reeds van bij de aanvang verkleeft met onze eigen unieke manier waarop wij in het leven staan. Geen enkele film (resultaat van een collectief) kan hier tegenop. Elke verfilming draagt dus steeds het risico in zich dat het wordt opgevat als een krenking, een belediging aan het adres van onze verbeelding en dus onvermijdelijk ook van ons zelf. En dan krijgen de arme regisseur en scenarist het in de forums zwaar te verduren. Maar het kan ook anders. Wat wanneer film vertrekt van een blank canvas? Wanneer het gebaseerd is op een origineel script? Als ik mezelf als steekproef (n=1) neem (maar dan mag ik ook niet lichtvoetig extrapoleren) moet ik besluiten dat een film soms zwaarder doorweegt dan een boek. Dat een film me soms dagen in de ban kan houden, me echt gevangen kan nemen in het verhaal, me echt bij de keel kan grijpen op een manier waarop een boek dat niet kan. Hoe is dit mogelijk? Moet ik nu de naam van deze blog veranderen in ‘De Filmknul’? Have no fear, beste boppers. Het zal zo’n vaart niet lopen.

Maar neem nu ‘Mulholland Drive’ van David Lynch. Visueel en narratief begeesterend met een soundtrack die deze ervaring zowel aanvult als versterkt, zoals de slagroom op een Dame Blanche. Ik heb deze film nu meermaals gezien en nog steeds word ik meegezogen in die prachtige draaikolk van beelden en emoties. (De ontmoeting met de ‘cowboy’ op een verlaten donkere ranch, de scène met de cappuccino, de jongeling die in de ‘diner’ aan zijn vriend zijn nachtmerrie vertelt,…) Spreek ik dan nog niet over de knappe structuur waarin het eerste deel van de film na weken nadenken plots begrijpbaar wordt (in de mate van het mogelijke, het is nog steeds Lynch) als spiegelopstelling van het tweede deel zolang je de juiste semantische sleutel maar hanteert. Ik heb nog steeds geen boekequivalent gevonden voor deze soort filmervaring. Als psycholoog kan ik een mogelijke, hoewel dogmatische, verklaring aanbieden. Een boek leest men, naar een film moet je kijken en luisteren. Het manipuleert op een veel directere manier de ervaring omdat het twee objecten van verlangen in de strijd kan werpen, wat het boek niet kan. Namelijk de blik en de stem. Het zijn vehikels van het verlangen. We kunnen erop verliefd worden…een bepaalde manier van kijken, een bepaalde klankintonatie en we zijn verloren….En daarom beste boppers, kan film ons danig vatten en - soms – een streepje voor hebben op een boek. Movie Magic indeed!

vrijdag 1 mei 2009

Overleven en over lezen...

Na het verder wegsmelten van de poolkappen, onze spaarcenten en beleggingen en de oeverloze controles op de luchthavens bij het inchecken ten gevolge van de terroristendreiging, krijgen we nu ook nog eens de dreiging van een pandemie over onze nek. En dan durft men mij nog vragen waarom ik zoveel lees...Over die pandemie gesproken. In de boekskes is het natuurlijk allemaal al eens eerder gebeurd. In 'The Third Pandemic' (1996) beschrijft Pierre Ouellette op overtuigende wijze wat gebeurt wanneer de wereld plots geconfronteerd wordt met een extreem besmettelijke en dodelijke bacterie, resistent tegen antibiotica. Algauw blijkt onze beschaving als een kaartenhuisje in elkaar te vallen en is de onvermijdelijke neergang naar een anarchistische free-for-all een feit. Zijn beheerste mix van technologie, biologie en nagelbijtende spanning had hij al eens geëtaleerd in zijn debuut: 'The Deus Machine' (1994) - vertaald als 'Deus ex Machina' - een ijzersterke bio-thriller waarin we deze keer afstevenen op een ecologische apocalyps te wijten aan genetisch gemodificeerde planten. Vreemd genoeg heeft hij enkel deze twee boeken geschreven.

Misschien is dit toch allemaal een beetje te dicht bij ons bed. Dan liever 'Doomsday Book' van Connie Willis (1992), vertaald als ‘Zwarte Winter'. Ik raad dit boek aan iedereen aan, het behoort tot mijn absolute top 10. Is het SF? Ik denk het niet. Hoewel het hoofdpersonage Kivrin, een studente geschiedenis, teruggestuurd wordt naar het Engeland van de veertiende eeuw, gaat dit boek vooral over mensen. Kivrin komt namelijk terecht in een Engeland dat wordt opgevreten door de pest. Het gezin waarin ze wordt opgenomen, ondergaat langzaam hetzelfde trieste lot. Niet in staat de mensen te helpen en gevangen in de tijd omdat een technische storing haar belet terug te keren naar het nu, wordt ze geconfronteerd met pijn, onmacht en de horror van de zwarte dood. Het boek bevat andere pluspunten zoals een gedetailleerde reconstructie van een Engels veertiende eeuws huishouden, een aantal grappige intermezzo's, en de sprekende figuren van Kivrin en de priester Roche. Het boek is een emotionele rollercoaster en de soepele schrijfstijl en levensechte enscenering maken het tot een unieke leeservaring. Moet Boekenknul nog duidelijker zijn?

Wat de mensen mij ook soms vragen is waar ik de tijd haal om dit allemaal te lezen? Simpel. Ik werk in Brussel. Niet dat er in Brussel minder gewerkt wordt maar er wordt wel meer tijd besteed aan het compleet stilstaan in files. Voor mij is dit echter gestolen tijd waarin ik de lectuur van wat lichtere romans kan aanvatten. Over de jaren heen heb ik een talent ontwikkeld voor het aanhouden van een soort gelijkzwevende aandacht op de bumper voor me, de voorbijflitsende motards en mijn boek. Statistisch gezien zou ik er beter mee ophouden. In het leuke boek over lezen: 'Een geschiedenis van het lezen' beschrijft Alberto Manguel ook andere plaatsen waar gelezen kan worden. Iedereen heeft zo zijn geliefkoosde plek (het bed staat bij vele mensen hoog genoteerd) maar Manguel haalt bijvoorbeeld de dichter Omar Khayyaam aan die stelde dat het lezen van gedichten het best onder een bloeiende tak plaats vond. Henry Miller was dan weer van oordeel dat hij de beste boeken had gelezen op het toilet. Zo zie je maar. Maar we mogen niet vergeten beste Boppers dat - te midden van tijdingen van onheil - een boek in de hand een geruststelling kan zijn. We lezen niet enkel om iets te leren over de wereld, de anderen - en bij uitbreiding - over onszelf. Soms willen we gewoon wat time-out. En dan is een boek een makkelijk pad naar zoete vergetelheid, een plaats waar het tijdelijk goed toeven is.