Pagina's

Posts tonen met het label lopen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label lopen. Alle posts tonen

zondag 2 mei 2010

Hoe snel?

Wat is de juiste snelheid. Om te lopen, leven, lezen? Heeft elke activiteit zijn optimale belevingstijd? Of is dit (weer) een subjectieve invulling? Het is zeker geen onzinnige vraag om af en toe te stellen in een wereld waarin alles almaar sneller dient te worden ingevuld, klaargemaakt, geleverd, beleefd en vergeten.

De poolreiziger en 19de eeuwse ontdekker John Franklin wordt door Sten Nadolny in ‘The Discovery of slowness’ beschreven als…’a man whose natural pace of living and thinking is portrayed as that of an elderly sloth after a long massage and a pipe of opium…’ Nochthans (of misschien dankzij zijn onvermogen tot handelen totdat hij een situatie volledig had doordacht) heeft Franklin heel wat bereikt.

Er valt wat te zeggen voor een bedachtzame temporisering. Zo hebben we gisteren deelgenomen aan de 10 K van Knokke. Traag vertrokken zijn we steeds sneller gaan lopen tot aan de aankomst. Niets negatiefs aan deze negative-split, enkel blijde gezichten aan de eindmeet. Met goed gedoseerde krachten komt men al een gans eind.

Zo moet ook Rosie Swale Pope hebben gedacht toen ze besloot rond de wereld te lopen. U leest het goed. In ‘Just a little Run around the World’ beschrijft ze haar vijf jaren durende odyssee met veel gevoel en tederheid. Na het verlies van haar man organiseert ze een liefdadigheid en beslist dan maar in één ruk om fondsen te werven met een spectaculaire loop rond de wereldbol. Ze doorstaat winterse nachten in het koude Siberië en Alaska, overleeft een aanrijding door een bus, praat zich uit een overval en komt met 53 paar afgesleten schoenen terug aan in Tenby, Wales. Hoe snel is snel?

Ligt de klemtoon niet op de beleving, het doorvoelen van een ervaring die zijn eigen tempo dicteert? Missen we niet teveel door de onderhuidse insisterende versnelling van al onze belevingen? Zijn we ook niet ‘hardwired’ middels onze zintuigen aan een aantal vaste ‘ideale’ tijdsintervallen. Parameters waarbuiten we onvermijdelijk een en ander missen, waar we fouten maken bij het wegschrijven van de informatie… die we dan krampachtig willen terugvinden in de vorm van verloren tijd?

Zo bestaat er een ideaal tempo om te reizen. Het is zeker niet aan het tempo van een vliegtuig schrijft Alain de Botton in de krant van 21 april (De Standaard – Opinie en Analyse). Hij stelt zich de vraag of het desoriënterende gevoel na een vliegtuigreis zijn verklaring niet vindt in het oude Arabische gezegde dat de ziel onveranderlijk met de snelheid van een kameel reist? We herstellen maar van de jetlag wanneer de ziel ons terug heeft ingehaald. Hij pleit ervoor om aan dit tempo te reizen: ’Dat nieuwe, wijdverbreide ‘kameeltempo’ zou reizigers wederom met een wijsheid begiftigen die hun middeleeuwse pelgrimvoorvaderen maar al te goed hadden gekend.’ Vertragen schept soms die broodnodige afstand die nodig is om zaken in hun juiste perspectief te zien.

Stop de tijd. Pak een boek. Rust.

vrijdag 19 maart 2010

Born to Run...

Funrunners zeggen wel eens dat marathonlopers getikt zijn. Wij marathonlopers zeggen hetzelfde van ultralopers; die zijn pas geschift. Wie loopt er nu 60 km of meer? Maar ze bestaan. In ‘Born to Run’ maken we kennis met een stam indianen die onder lange afstandslopers een mythisch statuut hebben bereikt: de Tarahumara indianen uit de Mexicaanse ‘Copper Canyons’.

Christopher McDougall, loper en journalist, gaat naar deze superlopers op zoek en vindt ze uiteindelijk met wat hulp van ‘Caballo Blanco’, een enigmatische drop-out die zijn dagen vult met lopen en er van droomt een wedstrijd in te richten tussen de Tarahumara en het kruim van de hedendaagse ultralopers. Zal dit wel lukken? De Tarahumara zien lopen als een feest, een manier om de banden tussen families en dorpen nauwer aan te halen…niet als een wedstrijd. Iedereen loopt er. Zowel jong als oud doen mee aan het populaire loopspel dat inhoudt dat men als één team (tot dagenlang) achter een bal aanholt…op sandalen!

En zo komen we tot een van de hoofdthema’s van dit vlot geschreven relaas. De Tarahumara lopen zonder gesofisticeerd materiaal massa’s kilometers…onder een moordende zonnehemel…zonder blessures …en dit een leven lang. McDougall bouwt zijn betoog rustig op en baseert zich op heel wat wetenschappelijk materiaal om aan te tonen dat de beste manier van lopen, het lopen op blote voeten is. Het aantal blessures onder westerse lopers is sinds de introductie van de moderne loopschoen enkel gestegen. Je zou denken dat de schoen ons beschermt tegen blessures. Maar de voet houdt er niet van ingeklemd te zitten. Vele medische wetenschappers erkennen dit. De voet moet kunnen afrollen en de ondergrond correct kunnen inschatten, niet gemedieerd door de dikke zool van onze high-tech loopschoenen.

McDougall krijgt uiteindelijk een aantal toplopers bereid om deel te nemen aan de race. Ook Scott Jurek, een internationaal bekende ultraloper en veelvuldig kampioen, daalt af naar de Copper Canyons waar de race zal plaatsvinden. Het wordt een memorabele wedstrijd..maar wat overblijft is het wederzijds respect, de intense voldoening en het pure loopplezier.

Dit is de tweede stelling van het boek. Het lopen zit in ons. Het is een natuurlijk product van de evolutionaire keuzes die we als oerjager reeds vroeg hebben gemaakt. Hoewel we niet de snelste lopers waren op de savanne, hebben we wel het ‘persistence hunting’ ontwikkeld om onze prooien uiteindelijk tot uitputting te dwingen. Als mens zijn we unieke lopers, daar we onze temperatuur kunnen reguleren via onze huid en niet via de mond zoals veel andere zoogdieren. Onze ademhaling is ook onafhankelijk van onze tred. Niet zo bij dieren die bij elke pas slechts één ademteug kunnen nemen. Wij kunnen dus blijven rennen, antilopen en ander lekkers niet! Dus gaan ze uiteindelijk in warmteshock. Deze manier van jagen kon tot in de vorige eeuw nog worden waargenomen onder de bushmen van de Kalahari woestijn.

Born to Run indeed Boppers! Het boek eindigt met een pertinente vraag. Als we toch allemaal lopers zijn, waarom lopen dan zoveel mensen niet graag? Hier blijken eeuwenoude reflexen nog ons gedrag voor te schrijven. Ons brein herinnert er ons voortdurend aan ons niet te vermoeien. Om krachten te sparen. Dat was vroeger goed advies. Het kon altijd gebeuren dat na een dag lopen en jagen er plots een troep hyena’s ongevraagd op de lunchafspraak verscheen en we ons uit de voeten moesten maken. Maar die situaties komen nu veel minder voor. Toch loopt dit ‘rust’-imperatief nog door waardoor we liever op de sofa blijven zitten wanneer een fikse loop in het lentefrisse weer een beter alternatief zou zijn!

zondag 12 juli 2009

Marathon Man...

Het moest er wel eens van komen. Je begint meer te lopen, het gaat vlotter en om een of andere reden kun je blijkbaar niet weerstaan aan die ongerijmde en vage lokroep om een marathon te lopen. De onbestemde angst om te falen haalt het niet van de nieuwsgierigheid en de wil je grenzen op te zoeken om te zien wie daar woont. Om te weten, hoe ver je het uiteindelijk kunt drijven. Enige vorm van pathetiek en dweepzucht met de symbolische heraldiek van de marathon zijn me niet vreemd. Ik zag mezelf dus met moed en volharding de 42 km uitlopen, uitgeput en voldaan, met triomfantelijke gebaren en alle pijn verbijtend de aankomstlijn passeren.

Maar hoe begin je hieraan, hoe train je hiervoor? Via een vriend kwam ik in contact met de Managers Marathon Club (MMC). De coach van de MMC is een fenomenale figuur. Wilfried Silon is een gedreven man die reeds honderden enthousiastelingen heeft geholpen bij het bereiken van hun marathondroom. Hij staat zijn lopers bij met raad en daad, soms met een strenge terechtwijzing, meestal met een vaderlijk schouderklopje. Hij stelt je persoonlijk trainingsschema op en dit zowel op basis van je fysieke conditie als een medisch verantwoorde inspanningstest in de loopkliniek. Wilfried is er om elke twijfel en dipje op te vangen, hij staat er met water en bananen tijdens die ellenlange duurtrainingen en hij staat ook breeduit te glunderen aan de aankomstlijn van je eerste marathon, alsof hij hem zelf had gelopen. Zijn boek 'Durven Dromen' is er voor iedereen die deze afstand ambieert. 'Durven Dromen' is niet alleen een terugkijk op 20 jaar MMC maar een warm en bezielend pleidooi om die marathondroom waar te maken. Lopers getuigen over hun trainingen en marathons, praten over hun ervaringen en beweegredenen, bekende sportlui doen hun duit in het zakje, legendarische marathons worden besproken...Kortom een breed en begeesterend marathonboek. Wat je er niet in zult vinden zijn trainingsschema's omdat die - in de MMC filosofie - aan het individu moeten aangepast zijn.

Na een tweetal jaren trainingsopbouw onder het alziend oog van Wilfried was ik klaar om mijn eerste marathon aan te vatten. Een beetje nerveus en na een slechte nachtrust verscheen ik aan de start van de London Marathon. Maar toen het startschot weerklonk, viel al die frustratie en onzekerheid van me af en ik liep de race uit als in een droom. Jazeker, er was pijn en vermoeidheid, er was afzien en vloeken maar het lopen ging vlot, de benen werkten mee en ik bereikte de eindmeet met een zekere energiereserve. Een drietal jaar later zou ik hem een tweede keer lopen onder een lichte, fijne regen en er - bijna als in een roes - mijn beste marathontijd neerzetten.

Maar het gaat niet altijd zo vlot. Er zijn marathons geweest waarbij ik echte tikken heb gekregen, waarbij het me bijna zwart voor de ogen werd. Het is doorbijten als je merkt dat je niet goed zit op km 25...wetende dat je met moeite over de helft bent. En het is ook vloeken en strompelen als kniepijn na 35 km (en dat bij twee opeenvolgende marathons), roet in het eten komt gooien en je tempo te laag wordt om je streeftijd te halen.

En toch...De marathon moet iets teruggeven anders blijf je niet lopen. Want de vraag is niet: Waarom loop je een marathon? (De woorden 'jij zot' laten de meeste mensen wel op aan het eind van de zin vallen.) Maar wel: Waarom loop je een tweede,en een derde..en zo verder. Haruki Murakami probeert hier ook de vinger op te leggen in 'Waarover ik praat als ik over hardlopen praat'. In dit boek waar hij openlijk zijn liefde voor de marathon en andere duursporten belijdt, probeert hij aan te geven waarom hij loopt, wat het lopen hem teruggeeft. Want dat het iets teruggeeft is zeker. Waarom zouden anders zoveel mensen die nooit-aflatende trainingen, dat vroege opstaan, dat occasioneel blessureleed voor lief nemen als het hen niets zou opleveren? Het euforisch gevoel aan de aankomst - dat soms nog dagenlang als een drug door je bloedbanen suist - alleen is niet voldoende om die verknochtheid aan dat lange lopen te verklaren. Je hebt natuurlijk de cornucopia aan weldadige invloeden op het lichaam dat fitter en gezonder wordt maar je hebt ook een massa - en individueel verschillende - minder tastbare voordelen.

Voor mij is het zo dat de diepere connectie met mijn zwoegend lichaam me een zekere zekerheid en evenwicht biedt en dat de opvolging van de trainingen een rustgevende regelmaat introduceert die verslavend werkt. Ten slotte is er nog een moeilijk in woorden te vatten, ontsnappend 'iets' dat naar boven komt tijdens een training. Een soort van gelukzaligheid dat nog het best met een 'leegte' is te vergelijken maar een 'leegte' als een soort van noodzakelijk fundament voor de losgeslagen en alle kanten uitschietende gedachten die ongestuurd door je brein flitsen tijdens de rest van de dag. De Boppers verwachten nu dat ik oproep om een marathon te lopen. Maar dit is niet het geval. Die lokroep moet uit jezelf komen...maar als je goed luistert is daar toch altijd iets dat trekt en duwt...misschien is het wel de oerloper in ieder van ons en herinnert het zich vaag hoe we vroeger over de uitgestrekte steppes en savannes ons eten achterna liepen.

woensdag 27 mei 2009

The Face of Boe...en de kunst van het reizen

Parijs. Lichtstad. Altijd iets nieuws te (her)ontdekken. En zeker met Alain De Botton in de rugzak. Ditmaal met ‘The Art of Travel’, een aantal beschouwingen en pertinente inzichten over het reizen. Hij stelt zich onder andere de vraag wat ons motiveert om te reizen, en dan specifiek naar een welbepaalde locatie? Zo trok de Franse schrijver Flaubert in 1850 naar Egypte alwaar hij zich volgaarne in de plaatselijke cultuur liet onderdompelen. Hij leerde de taal, trok een witte boernoes aan en liet zeer lovende uitspraken noteren over de piramiden, exotische dansers en de edele en nobele karaktertrekken van de kameel. Hij is de rest van zijn leven verknocht gebleven aan Egypte. Voor De Botton lijkt een bestemming uitnodigend wanneer we aanvoelen dat bepaalde (exotische) elementen van het reisdoel beter en meer waarheidsgetrouw onze identiteit en waarden lijken te incorporeren dan onze eigen stek. Wat dit specifiek voor mij betekent met betrekking tot Parijs is een onderwerp voor verdere contemplatie, maar ik kan jullie verzekeren , beste boppers, dat het niet de overvolle metro is tussen La Bastille en Châtelet, die innig met mijn diepere zelf resoneert.

Nee, dan liever een bezoekje aan Le Musée de L’Orangerie waar Monet’s gigantische waterlelies (Nymphéas) hangen. In twee - in gedempt daglicht gedrenkte - zalen volgen grote gebogen panelen de uitholling van de concave zijmuren en proberen ons in hun schijnbare eenvoud iets essentieels te vertellen. Het kalme en koesterende effect van deze waterlelies, die lijken te zweven op het heldere water van vijvers zoals die alleen in schilderijen uit de 19de eeuw kunnen bestaan, wordt een beetje teniet gedaan door de massa toeristen. Maar zelfs dit kan de dwingende uitnodiging tot meditatie die vanuit de omvangrijke canvassen bijna fysisch op je afspringt, niet afblokken. Maar hoe neem je een dergelijke ervaring mee? Hoe zorg je dat ‘schoonheid’ die je observeert tijdens je reis, een blijvende herinnering wordt en hoe kun je die –eenmaal terug thuis- op grijze en regenachtige dagen in al zijn betoverende luister opnieuw beleven? Is een foto nemen wel de beste oplossing? De Botton stelt zich dezelfde vraag en vindt het antwoord bij de in 1819 geboren Engelsman John Ruskin. Trage, meticuleuze en minutieuze observatie lijkt aanbevolen. Go slow. En we doen dit best door een tekening proberen te maken van wat ons in alle schoonheid overvalt. Of we hier al dan niet talent voor hebben is irrelevant, de act van het tekenen verplicht ons oog te hebben voor het kleinste detail waardoor we het onderwerp langzaam gaan bezitten en die elementen die een tafereel voor ons ‘mooi’ maken, eruit kunnen lichten…We kunnen dit ook doen door het tableau goed te gaan beschrijven, ‘woordschilderen’ zoals Ruskin het noemt. Vandaar mijn enigszins bombastische beschrijving van de waterlelies van daarnet.

Maar tekenen lijkt de voorkeur weg te dragen van de tientallen studenten die gewapend met schetsboek en potlood de vele geraamtes van de uitgestorven dieren in de’ Galeries de Paléontologie et d'Anatomie comparée’ in de Jardin des Plantes levensecht op het papier proberen te krijgen. Dit is de tweede keer dat we dit museum bezoeken en het blijft een unicum. Het soort museum waar Boudewijn Büch indertijd enthousiast kon van worden. Het herbergt een massa geraamtes, overblijfselen van prehistorische dieren en fossielen die door hun veelheid en opstelling een massale aanval op de zintuigen inzetten. Ik denk dat het museum sinds de 19de eeuw niet meer is veranderd. Stoffig en oud, met afbladderende verf en handgeschreven opschriftjes bij de tentoongestelde items is het museum zelf een statement in een tijdperk van mediagekke interactieve museumdisplays. De geraamtes staan opgesteld als in een grote kudde, gehoorzamend aan een onzichtbare doch bezwerende orkestleider, die hen – gevangen in het moment – opzweept naar het einde der tijden. (Woordschilderen, weet je wel.)

Bijzonder leuk is ook een stad leren kennen door er doorheen te lopen op het vroege ochtenduur. In de Jardin du Luxembourg lopen we niet alleen in de lichte regen. Parijzenaars in alle maten en gewichten lopen hun rondjes in dit mooie park waar we plots worden verrast door een gigantisch groot bronzen hoofd, een beeldhouwwerk van Louis Derbré (Le Prophète). Wellicht onder de invloed van de vrijgekomen endorfine, meen ik eerst ‘The face of Boe’ te ontwaren, vooraleer de realiteit zijn meesterschap terug opeist. An easy mistake for a fanboy to make. De volgende keer misschien toch dat schetsboek meenemen?

donderdag 21 mei 2009

Alles over hardlopen

Hoe begin je te lopen? En – wat belangrijker is – hoe blijf je lopen? Voor mij bleek het lopen een manier om van het roken af te raken. Na meermaals een poging te hebben ondernomen om af te kicken, bleek een combinatie van lopen, veel fruit en douches uiteindelijk succesvol om me van een jarenlange verslaving af te helpen. Ik merkte dat het plezier van het lopen langzaam het genot van een sigaret ging overstijgen. Ik ben nu niet de gereformeerde pezewever die iedereen wil overtuigen om met het lopen te starten en de sigaret te laten. Ik zeg niet neen tegen een zeer sporadische sigaar en hoewel ik zeer blij ben dat de restaurants tegenwoordig rookvrij zijn, vind ik ook dat men de rokers wat te veel in het vizier neemt. Tenslotte moet eenieder maar voor zichzelf uitmaken hoe hij met zijn genot omgaat...

Maar roken is in fine maar een gevoel, een rebus, een doorsteekje naar een symbolische ruimte waar het ‘idee’ van het roken ons een gelukkiger, zelfzekerder, meer ontspannen, viriel en enigmatisch ‘ik’ voorspiegelt dat zich langzaam vastlijmt in onze zenuwbanen, waar we het verwarren met nicotineafhankelijkheid. Dit verklaart waarom ik na al die jaren – wanneer alle nicotine reeds lang uit mijn lichaam is gespoeld - nog zin kan krijgen in een sigaret wanneer dit in een zeer symbolisch geladen sfeer in beeld, woord en geluid samenzweert, zoals in een goeie film…wanneer de mysterieuze femme fatale een sigaret opsteekt en de camera ons oog richt op de blauwwitte rookslierten die sierlijk opstijgen vanuit de gloeiende askegel van een sigaret tussen knalrode sensuele lippen. Wanneer je dit eenmaal beet hebt, volstaat het meestal een andere symbolische ruimte voor je uit te houwen..van ‘roker’ naar ‘loper’ in mijn geval.

Iemand die mij daar heel goed mee heeft geholpen is James Fixx, de schrijver van twee basiswerken over het hardlopen: 'Alles over hardlopen, deel I en deel II'. Duidelijk, niet? Zoals steeds wanneer ik iets nieuw aanvat, probeer ik er zoveel mogelijk over te lezen. Ik weet wel dat sommige zaken zich niet uit boeken laten leren maar…’come prepared’ is Boekenknuls motto. Dus leerde ik alles over voeding, wedstrijdlopen, de werking van het hart en de spieren, de relatie lichaam / brein, het effect van het hardlopen op het lichaam, calorieën, trainingstechnieken, hoe te reageren als er honden achter je aan zitten etc…en dat alles vooraleer ik één meter had gelopen. Maar goed, ik was mijn symbolische ruimte aan het uitbouwen. Telkens als ik zin had in een sigaret dan nam ik de boeken van Fixx vast.

De eerste keer liep ik vijf minuten en vroeg me af waaraan ik was begonnen. Na enkele weken liep ik twintig minuten en een aantal maanden later liep ik voor de eerste keer een wedstrijd mee: de 5K van Gent. En door Fixx kon ik meepraten met de beste loopgoeroes! Het uiteindelijk resultaat was dat ik me veel beter voelde, en niet alleen na het lopen maar ook tijdens het lopen. Die mysterieuze ‘runner’s high’ heb ik nog niet veel mogen ervaren maar het lopen laat ons ontegensprekelijk genieten van een soort van parallelle wereld, waar de bomen groener zijn, de lucht blauwer, de regen natter en de zon feller. Een wereld waar alles zich samenbalt in het simpele plezier van eens voluit te gaan...met bonzend hart en onbezonnen simpelheid van geest. Om dan aan de aankomst naar adem te staan happen als een vis op het droge. Later kwamen de 20K wedstrijden en daarna de marathons – maar mijn wedervaren op deze afstanden spaar ik voor een andere post.

Na jaren te hebben moeten luisteren naar mijn gezaag over het lopen is mijn vrouw er uiteindelijk ook mee begonnen. De plaatselijke loopclub, een goede Finse piste en een loopmaatje waarmee ze kan bijpraten, was alles wat ze nodig had. Ikzelf ben eerder een solitaire loper maar loop graag voor de verandering eens met de clubleden van de marathonclub (MMC) of met andere vrienden. En deze middag loop ik zoals ieder jaar opnieuw in Gent en dan moet ik altijd terugdenken aan die beginjaren, met mijn neus in de –intussen verouderde – boeken van Fixx, blij als een kind met de resultaten van mijn eerste wedstrijd.

Ondertussen ben ik wel wat wijzer geworden en moet ik niet zo nodig nog een beste tijd lopen. Gewoon eens goed doorlopen samen met duizenden andere zwetende, puffende en hijgende lijven, even gek van het lopen als ikzelf, onder de bewonderende en verbouwereerde blikken van de toeschouwers en supporters. Allen deelachtig aan een grote communale en collectieve orgiastiche, bevrijdende cocktail van hormonen, adrenaline en endorfines. Dus boppers, doe jullie een plezier: Start to Run!

woensdag 22 april 2009

Seneca en de verloren tanden...

Ik loop marathons. Dat vergt, naast een gezonde dosis masochisme, ook wat voorbereiding. Je moet nogal wat aflopen om een marathon te kunnen lopen. Zoals bij vele zaken ligt ook hier de pay-off niet enkel op het eind van de rit maar ook in de hoeken en kanten van het ganse proces. Doch niet zo tijdens mijn laatste training. Ik ben namelijk gestruikeld over een ijzeren strik en hard in aanraking gekomen met het wegdek. Zodoende was mijn eerste splatterfilm een feit. In mindere momenten zie ik nog steeds tanden en bloed ‘Sin City’-gewijs in slow motion vanuit mijn mond het luchtruim kiezen. Tanden afgebroken, lip genaaid en zo verder, niet direct meer moeders mooiste.

Terwijl je verbaasd naar de bloedvlekken op je loopkledij zit te kijken, is je eerste reactie: waarom ik? Wat heb ik verkeerd gedaan? Ik verdien dit niet! Er is me - o wee - een groot onrecht aangedaan. En dit komt omdat ons wereldbeeld geen plaats biedt voor dergelijke massale inbreuken op onze gemoedsrust. Rampen en ongevallen gebeuren met anderen, nooit met onszelf. Ons brein wil dit gewoon niet aanvaarden. We zien de wereld als een opeenvolging van activiteiten en gebeurtenissen die - in lijn met ons verondersteld geboorterecht - fundamenteel eerlijk en welwillend ons lot bepalen. Maar dit is niet zo. Het leven wordt nu eenmaal gekenmerkt door onverwachte, lukrake, toevallige, betekenisloze calamiteiten en tegenslagen. Kunstenaars en filosofen weten dit al langer, maar de gewone dupes zoals jij en ik voelen zich geviseerd en verongelijkt wanneer het leven ons een dergelijke kaart deelt.

Alain de Botton in 'The consolations of Philosophy' raadt Seneca (4 v. Chr. - 65 n. Chr.) aan als troost. Ja, die oude Grieken en stoïcijnen wisten er wel raad mee. Seneca houdt ons voor dat we er vooral van bewust moeten zijn dat 'shit may happen' op elk moment van de dag en dat men daar het best rekening mee houdt. Idealiter start men dus de dag niet zonder hierover te mediteren. Zo kan men zich verzoenen met zijn lot en voorbereiden op de dood. Een beetje zoals de samoerais die in de HAGAKURE, 'The Book of the Samurai' door Yamamoto Tsunetomo (1659 -1719) worden opgeroepen om zich dagelijks een aantal gewelddadige manieren voor te stellen waarop ze het loodje zouden kunnen leggen. Beter nog, om zich reeds als 'dood' te beschouwen.

Deze - weliswaar creatieve - denkoefening zou ik niet iedereen aanraden. Het is niet mijn mening - noch die van Seneca, naar ik vermoed - dat we een continue lichte vorm van depressie moeten cultiveren. Laat ons de dag tenminste met wat meer rooskleurige gedachten beginnen. Maar dan met Seneca's richtlijn, dat de wereld niet fundamenteel rechtvaardig is en - als er dan al iets met ons gebeurt - dit niet moedwillig 'tegen' ons gebeurt of een oordeel over ons gedrag inhoudt. Waarom Ik? Wat heb ik gedaan om dit te verdienen? Deze gevoelens, die onvermijdelijk leiden tot boosheid, zullen makkelijker beheersbaar zijn wanneer men ook de irrationele hoop op een leven vol meevallers, geluk en rechtvaardigheid laat varen.

Het ongeluk zit in een klein hoekje. (Een strik op het voetpad.) Alain De Botton eindigt zijn hoofdstuk over Seneca met een mooi citaat van de wijsheer: 'What need is there to weep over parts of Life. The whole of it calls for Tears.'