Pagina's

Posts tonen met het label SF. Alle posts tonen
Posts tonen met het label SF. Alle posts tonen

woensdag 26 mei 2010

Eindspel

Laat ons nog even een andere klassieker bespreken. Een klassieker uit de SF genreliteratuur. Mensen vragen me wel eens: ‘Lees je nog steeds die SF boekjes?’ Alsof sterke karakterontwikkelingen, diepe inzichten in ’s mens beweegredenen, verfrissend taalgebruik en leesmomenten gekenmerkt door intense genoegdoening, nieuwe gedachteassociaties en emotionele inleving, slechts het voorrecht kunnen zijn van de literatuur met de grote ‘L’? Nee dus.

‘Ender’s Game’ van Orson Scott Card is tevens één van die zeldzame boeken die een brugfunctie vervullen. Het is een ideaal boek om kennis te maken met dit genre. Hoewel duidelijk onder deze noemer ingeschreven ligt de klemtoon wel op het vertellen van een knappe en meeslepende kroniek van een held tegen wil en dank, vol met morele dilemma’s en een zeer onverwachte en bevredigende ontknoping. Maar de SF setting geeft het verhaal ook nog eens een exotische (als in vreemd en onverwacht) kleur als de mogelijkheid diverse decors te creëren waartegen het verhaal in al zijn ettelijke verwikkelingen en thema’s wordt uitgediept. (PS: 90 besprekingen met het maximale aantal sterren op Amazon.uk als je me niet gelooft!)


De aarde heeft op het nippertje een nederlaag kunnen afwenden tegen een ras van buitenaardse wezens dat nog het meest kan vergeleken worden met denkende insecten. Maar de eindafrekening komt eraan. Men heeft steeds geweten dat de buitenaardsen zouden terugkomen om ons voor eens en voor altijd af te maken. Dit moment – reeds voor 80 jaar voorzien – komt nu dichterbij. De spanning en vrees stijgt. Helaas zijn er geen generaals of soldaten met oorlogservaring nog in leven. Hoe kunnen we ooit nog winnen? Daarom hebben de regeringen reeds een tijdje een omvattend plan gestart om via natuurlijke selectie een ras van strategisch begaafde soldaten te creëren. Kinderen worden op vroege leeftijd geselecteerd en bij hun ouders weggenomen om na een opleiding en een slopende reeks ‘war games’ al dan niet weerhouden te worden als piloot, officier of als de generaal die tijdens de eindafrekening de massa troepen zal aanvoeren. De kandidaten worden getraind op de ‘Battle School’ een satelliet in een baan om de aarde omdat de vele testgevechten worden gespeeld in gewichtloze toestand in een 3D omgeving. De opleiding is brutaal. De competitie tussen de teams wordt in de verf gezet, pesten wordt aangemoedigd, het fysisch gevaar is soms zeer reëel.

Het verhaal start met de selectie van Andrew Wiggin – ook Ender genoemd – voor de ‘Battle School’. Al snel toont hij potentieel dat door zijn leraren zonder enige schroom veelvuldig op de proef wordt gesteld. We zien hoe Ender omgaat met de stress en de vele uitdagingen die op zijn jonge schouders worden gelegd. De manier waarop Ender met zijn teamleden omgaat en hoe hij probeert bovenaan de wedstrijdtabel te blijven door steeds maar op de proppen te komen met nieuwe manieren om een van de steeds complexere en moeilijkere testgevechten met zijn team te winnen, is een van de vele geneugten van het boek.

Hoewel dit een boek is over kinderen, is dit geen boek voor kinderen. Dikwijls voel je als lezer enig ongemak bij de keuzes die de mensheid heeft genomen om zijn overleving veilig te stellen. Heiligt het doel altijd de middelen? Is genocide toegestaan? Wat is geoorloofd? In die zin is het boek zeer confronterend. Naast deze thema’s en het verhaal van de geboorte van een oorlogsgenie zijn er ook tal van verwikkelingen in de rand die de soep kruiden. Zoals Peter en Valentine, oudere broer en zus van Ender die eerder niet werden weerhouden voor de ‘Battle School’, de één wegens zijn extreem gewelddadig karakter, de andere voor haar mededogen en die op hun eigen manier hier mee omgaan (waarmee Scott Card eigenlijk reeds de blogosfeer voorspelt in 1977), de slinkse wijze waarop de leraren en trainers van de ‘Battle School’ proberen de psychische toestand van hun pupillen op te volgen, de extreme ‘weapons of mass destruction’ en nog zoveel meer. Maar dat moet je maar zelf lezen. Hoef ik er nog bij te vertellen dat het boek ook de twee grootste prijzen uit het SF vakgebied heeft binngehaald bij zijn verschijnen, de Hugo en de Nebula award.
Later zijn er nog vervolgboeken op verschenen. Maar die bespeelden eerder andere thema’s en hadden niet zo veel gemeenschappelijk meer met ‘Ender’s Game’. Scott Card is later wel nog teruggekeerd naar het Ender universum door het oorspronkelijke verhaal opnieuw te vertellen, maar toen vanuit het perspectief van één van Enders teamleden, Bean.

Dus Boppers, open die poort en maak kennis met een nieuwe wereld.

zaterdag 6 maart 2010

How Science Fiction conquered the world...

Het valt me soms op hoeveel beklijvende visuele elementen van onze cultuur afkomstig zijn uit de rijk gevulde SF iconografie. We kennen de beelden van de bedreigende robot of alien uit de jaren '50 films. (The Thing, This Island Earth, Invaders from Mars...)Uit de jaren zestig herinneren we ons de bevreemdende roes bij het aanschouwen van sprekende apen (Planet of the Apes), de brandende boeken uit Fahrenheit 451, of de sexuele escapades van Jane Fonda in Barbarella. De volgende decade gaf ons een nooit eerder geziene reeks klassiekers. De bijna tastbare eenzaamheid van Charlton Heston in een (bij dag) verlaten Los-Angeles in de eerste scènes van 'The Omega Man'. Het trieste einde van het laatste beetje groen in het visionaire 'Silent Running' waar het enige resterende bos als een verstilde arcologie aan de enorme leegte van het heelal wordt overgelaten.

De beeldenstormvloed van Zardoz waar een hoogtechnologische cultuur ten prooi valt aan lethargie en zich van de rest van de wereld - vervallen tot een staat van barbarij- afzondert. (En ik heb het niet over Sean Connery, die bijna de volledige film in een soort pamper rondloopt.) We mogen ook THX 1138 niet vergeten, waar de ruimte waarbinnen het verhaal zich afspeelt buiten de contouren van het blikveld verder uitdeint, door het grenzeloze gebruik van witte oppervlaktes. Als het ongemak van de mens temidden een eindeloze zee van Lacaniaans genot. En ik heb het dan nog niet over Star Wars, Solaris, Westworld en Soylent Green gehad, die een veelheid van beelden hebben opgeleverd die zich stevig in ons collectief bewustzijn hebben geankerd.

Vivian Sobchack is professor 'Film Studies' aan de Universiteit van California en levert ons een ernstige beschouwing af over de vertaling van SF concepten naar het Amerikaanse filmscherm. 'Screening Space' is een degelijke en theoretische studie van de visuele semiotiek van de SF flim. Het mag inderdaad ook af en toe wel iets anders zijn dan de normale lichtere fankost. Met dit boek laat ze ons met andere ogen en met een dieper begrip de vele - op het eerste zicht - bijna frivole en redundante visuele elementen analyseren.

Thomas M. Disch gaat nog een stapje verder en verheldert in een heerlijke reeks essays in 'The Dreams our Stuff is made of' hoe het soms misprijsde SF genre de populaire verbeelding heeft gevoed met beelden en ideeën die wezenlijk hebben bijgedragen tot de vorm en inhoud van de culturele en sociale wereld waarin we nu leven. Met zijn bespreking van de historische wortels van het SF gedachtegoed bij Edgar Allen Poe, de feministische SF van de jaren '60 en '70 en het culturele relativisme in onze relatie tot andere beschavingen in wat ooit als pulp fictie werd geboekstaafd, is dit boek een vruchtbare bron voor verdere reflectie over een genre dat ten onrechte uit de hoogte wordt bejegend, maar in feite reeds lang bepalend is voor wat als 'mainstream' wordt benoemd. Enjoy it Boppers.

vrijdag 19 februari 2010

Getting even...

Een goed boek is soms gewoon niets anders dan een manier om even weg te zijn. Het brein is van een dergelijke goedertierendheid dat het ons toelaat middels een aantal gedrukte woorden een wereld van nieuwe ervaringen te ontsluiten. Onze frontale cortex gaat bovendien storende stimuli even buitensluiten zodat we ons ongegeneerd kunnen overgeven aan een tijdelijk avontuur. Ons empathisch vermogen - een ander overgeërfd overlevingsmechanisme - zorgt er voor dat we meegezogen worden in de avonturen van de protagonist.

Een specifiek thema dat regelmatig terugkeert, is de nood aan wraak voor aangedaan onrecht. Hoe 'haat' de hoofdpersoon zich wreken en gaat hij gelouterd, verteerd of gelaten de eindmeet halen? Het houdt ons blijkbaar bezig. Er zijn studies die aangeven dat ook dit een overgeërfd behoudsgezind mechanisme is. Bij moord houdt de onmiddellijke weerwraak door de clan tevens de boodschap in dat men niet ongestraft iemands leven neemt. Het is dus - paradoxaal genoeg - een trap hoger op de ladder naar een beschaafde samenleving.

Een boek dat generaties lezers aan de leesstoel gekluisterd heeft gehouden, is Alexandre Dumas' 'De Graaf van Mont-Christo'. Er wordt Edmond Dantes zoveel onrecht aangedaan dat de lezer zich eveneens ontzet voelt en niets anders kan dan Dantes barok uitgewerkte wraakplannen toejuichen. Het is een klassieker. En klassiekers keren altijd terug.

Zo kreeg ik een déjà-vu, toen ik vorig jaar 'The Stars' Tennis balls' van Stephen Fry las. Ik had maar na enkele hoofdstukken door waar het verhaal naar toe leidde. Maar plots valt dan die frank. Het boek is een getrouwe maar inventieve herschrijving van Dumas' boek in een geheel nieuwe en meer moderne setting. Weer liet ik me meeslepen, ditmaal met de ongelukkige avonturen van Ned, Dantes' kloon.

Een ander wraakverhaal waarbij de protagonist zich bijna verliest in zijn haatgevoelens is het bekende 'The stars my destination' van Alfred Bester. Gully Foyle wordt aan zijn lot overgelaten na een schipbreuk en gaat op zoek naar de schuldigen. Tijdens zijn zoektocht transformeert hij zichzelf van een ruwe op wraak beluste onhebbelijke barbaar tot een intelligent en geschoold individu. Maar zijn gewelddadige natuur kan hij niet loochenen en zijn woedeaanvallen blijven zichtbaar doorheen zijn verwijderde oude gezichtstatoeages als rode striemen. Geschreven in de jaren '50 kon het net zo goed hedendaagse cyberpunk zijn. De leefwereld waarin Gully zijn gelijk wenst te halen is uiterst creatief vorm gegeven. Weer een klassieker. Voor alle duidelijkheid, het is vintage SF.

Dus Boppers, omhels eens het wraakthema, maar dan wel vanuit de leeszetel en proef de zoete overwinning van Edmond, Ned en Gully als een antigif voor die gevoelens van frustratie wanneer je op de baan weer eens door een agressieve chauffeur ei zo na van de weg wordt gereden.

dinsdag 16 februari 2010

Alternatieve geschiedenislessen van Tarantino en Philip K. Dick

Vorig weekend heb ik ‘Inglourious Basterds’ van Tarantino gezien. Een aantal iconografische scènes blijken enkele dagen later nog steeds als een nabeeld vast te kleven op mijn netvlies. Kleurrijke visuele echo’s schuiven over alledaagse grijze taferelen.

Zijn liefde voor film druipt duidelijk van elke frame. OK, er waren weer wat bloederige intermezzo’s bij, maar het eindresultaat is een feest voor liefhebbers van Tarantino’s cinefiele universum. Beter dan ‘Pulp Fiction’ of ‘Reservoir Dogs’? (Indien dat mogelijk zou zijn.) Nee. Daarvoor zijn de dialogen net niet goed genoeg. De film geeft echter voldoening op een ander niveau door een loopje te nemen met de officiële geschiedenis. De avonturen van Brad Pitt en zijn kompanen spelen zich namelijk af op een alternatieve tijdlijn. Een gekend procédé en literair subgenre: ‘alternate history’.

Zo herschrijft Philip K. Dick in ‘The Man in the High Castle’ een Amerika na de tweede wereldoorlog dat zucht onder een Japans-Duitse bezetting. Dick is verantwoordelijk voor heel wat klassiekers. ‘Do Androids Dream of Electric Sheep’ werd door Ridley Scott verfilmd als ‘Blade Runner’. ‘Total Recall’, ‘Paycheck’, ‘Minority Report’ en ‘A Scanner Darkly’ werden eveneens verfilmd. Allen hebben ze dezelfde onderliggende paranoïde thema’s: het vervagen van de grens tussen realiteit en fictie. Wat is echt, wat is niet echt? Dick zag het verschil ook niet altijd goed. Veel van zijn boeken schreef hij onder invloed van geestesverruimende middelen. Hij had last van visioenen en was er op een bepaald moment van overtuigd dat iemand anders zijn lichaam had overgenomen. Leuk is anders. Doch laat dit geen hinder zijn voor jullie leesplezier. Integendeel. Ondanks het feit dat Dick de ‘I Ching’ gebruikte om de plot van zijn boek te bepalen (!) is het werk een belangrijke alternatieve-geschiedenis novelle die in 1963 de Hugo Award won en door zijn diverse verhaallijnen, plotwendingen en beschrijvingen van een leven onder een totalitair bewind, in ieders bibliotheek thuishoort.

Dus Boppers, maak een kopje geestesverruimende lindethee en laat Dicks verbeelding – al is het maar voor eventjes – de fundamenten van uw realiteitsbesef aantasten.

Hieronder een clip uit ‘A Scanner Darkly’. Eerst werden de scènes gefilmd en daarna overtekend (rotoscoping)wat leidt tot een heel speciaal resultaat en een aangename versmelting tussen vorm en inhoud.

maandag 8 februari 2010

On the Road to Nowhere...

Vorige week heb ik ‘The Road’ gezien, gebaseerd op het gelijknamig boek van Cormac McCarthy. Het boek had me indertijd danig geraakt. Het relaas van een vader en zoon die in een desolaat en mistroostig Amerikaans landschap onderweg zijn naar het zuiden, na wat blijkbaar een verwoestende ecologische ramp van gigantische proporties was, terwijl ze uit de handen proberen te blijven van kannibalen en andere rapalje, is een hartverscheurende leeservaring. In het begin hoop je nog mee met de protagonisten op een betere toekomst, maar algauw wordt het duidelijk dat elk sprankeltje hoop vakkundig door McCarthy wordt weggegomd. Ik bedoel maar; het houdt niet op. De strijd om te overleven wordt harder en harder, en de keuzes die de personages maken om in leven te blijven, zijn dikwijls ten nadele van andere verloren zielen die ook maar proberen wanhopig aan te klampen aan wat slechts een vervagende illusie van een bestaan is. Wat ik wou zeggen: er zijn meer opbeurende boeken.

Ik was dus voorbereid op de film. Dacht ik. Blijkt dat het nog altijd triester en weemoediger kan. Sip en somber had ik verwacht, maar naargeestig en moedeloos heb ik gekregen. In dat opzicht…een dijk van een film dus. Viggo Mortensen brengt de voortdurende spanning, angst en vrees van de vader om zijn zoon tastbaar op het scherm. En Kodi Smit-McPhee, die in de huid van ‘the boy’ kruipt, is fenomenaal. Soms mag ik peinzen over waar een kindacteur de kracht en de innerlijke middelen haalt, om een dergelijke acteerprestatie neer te zetten. Doch dit ter zijde. Een vraag die me na het zien van een soortgelijke film meer bezighoudt, is de volgende: is onze beschaving waarlijk maar een dun laagje vernis? Is het zo dat wanneer we met een situatie worden geconfronteerd waar we samen moeten zien te overleven, we plots niets meer zijn dan een meute elkaar verslindende honden. Ik hoop op het tegendeel, maar vrees van niet.

Er zijn postapocalyptische verhalen met een lichtere toets, maar toch is er altijd weer op de achtergrond die vrees voor een regressie naar barbarij en onmenselijkheid. Vandaar dat thema’s van theologische en filosofische aard mee aan het oppervlak komen. In ‘Deus Irae’ van Philip K. Dick en Roger Zelazny (ah…old skool…love it!), vertaald als ‘De god der gramschap’ krijgt Tibor McMasters, een acolyt van een sekte die de oorspronkelijke aanstoker van de grote vernietigingsoorlog vereert, de opdracht om deze ‘God’ der gramschap af te beelden. Tibor is een begenadigd artiest, maar heeft kunstarmen en moet in zijn karretje worden voortgetrokken door een koe. Met een discipel van de Uitdovende Christelijke Kerk gaat hij op zoek naar deze man om hem als de schepper van een nieuwe wereldorde te vereeuwigen. Ook hier krijgen we geen antwoord op het waarom, maar aarzelen de schrijvers niet de vraag te stellen naar de aard en noodzaak van een God. Het is een prachtig, ietwat verouderd, maar mooi geconstrueerd verhaal.

Nog lichter van toon wordt het in een van de verhalen uit de bundel ‘The Martian Chronicles’ van Ray Bradbury. In ‘The Silent Towns’ is Walter Gripp, de enige overgeblevene op de Martiaanse kolonies nadat iedereen terug naar de Aarde is gevlucht. Of niet? Plots hoort hij in een verlaten huis een telefoon rinkelen. Uiteindelijk slaagt hij erin contact te maken met de laatste vrouw op Mars die eveneens in de overtuiging was dat ze de laatste mens op de planeet was. Walter reist uitgelaten naar waar de vrouw verblijft en in zijn verbeelding neemt ze hemelse proporties aan. Geneviève blijkt uiteindelijk een zwaarlijvige chocolade verslindende vrouw te zijn die hem zodanig op de heupen werkt dat hij terug voor het celibaat en de eenzaamheid kiest.

Zo zie je maar, voor éénieder het postapocalyptische landschap van zijn dromen. Maar denk eens na Boppers, vanavond in het warme bedje…hoe zouden wij het er vanaf brengen ‘on the Road’…terwijl de meutes kannibalen achter ons aan zitten.

woensdag 2 december 2009

Mash-ups, Cross-overs & Tie-ins....

Mash-ups, cross-overs, tie-ins...er is soms wel iets te zeggen voor deze kruisbestuiving van ideeën en formats. De eeuwige vraag of het boek nu beter is dan de film laten we even buiten beschouwing. Soms kan een verderzetting via een ander medium de oorspronkelijke mythologie uitdiepen en aankleden. Soms kan een verfilming een andere visie in de verf zetten. En soms is een ander medium de betere keuze om iets verder uit te werken. Maar niet zelden is het resultaat niet gespeend van enige onzin en geldgewin.

Vroeger durfde ik me al eens - wanneer ik teveel op mijn honger bleef zitten – op de goedkope paperbacks werpen, die me verdere avonturen uit een geliefkoosd universum beloofden. Lichtgewicht literatuur, snoepjes die de leegte tussen TV-seizoenen of sequels dienden op te vullen. Zo heb ik me bezondigd aan Star Trek romans, X-Files- & Millenium verhalen, maar ook aan de Star Wars boeken…Ik weet het, ik was een junkie…en meestal ontwaakte ik uit deze roes met een indigestie of een lichte vorm van vervreemding en verwarring.

Daarom ga ik al enkele jaren cold turkey en lees enkel nog originele verhalen en romans. Om dezelfde reden lees ik ook geen boeken meer die verder borduren op ideeën van een andere schrijver. Zo heb ik als eeuwige fan van ‘Dune’ de prequels gelezen, geschreven door Brian Herbert en Kevin J. Anderson. Achteraf was ik meer teleurgesteld dan verblijd. Sommige onderdelen van een favoriet verhaal – waarnaar de schrijver slechts zijdelings refereerde, maar die de lont aan het kruitvat van de verbeelding staken en waar niet verder werd op ingegaan – blijven beter onbekend. Liever overgeleverd aan een kwellende onzekerheid die het vliegwiel van de imaginatie verder aanzwengelt dan blootgesteld te worden aan een brutale expositie van een loonschrijver die de mystiek uit het epos doodschrijft. Wat de ‘Dune’ boeken betreft zijn de prequels over de families (House Atreides, Harkonnen en Corrino)nog best te pruimen, maar de andere boeken laat je liever links liggen als je de erfenis van Herbert een beetje wenst te respecteren. De rest van het aanvullend canon lijkt een formulaïstisch-boekhoudkundig resultaat, eerder dan een gestage en boeiende uitbouw van het Duin universum.

Dit gezegd zijnde, wens ik toch een positieve ervaring te onderstrepen. Wie herinnert zich niet het schitterende ‘Twin Peaks’, ontsproten aan het exotische brein van David Lynch: een amalgaam van uitzinnige karakters en plotwendingen en ideeën waarvoor de woorden ‘bizar’ en ‘uitzinnig’ lang niet toereikend waren. Een serie die ons wekelijks met open mond, klamme handen en rechtopstaand nekhaar voor het TV scherm gekluisterd hield. Dale Cooper was mijn held. Hij was de belichaming van een nieuw soort transcendente absurditeit met een eigen logica, een mix van kinderlijke onschuld en doorleefde levenswijsheid, een combinatie van Lynchiaanse dramatiek, Victoriaanse rationaliteit en Gotisch drama. Een soap op speed, een culturele referentiespuiende raamvertelling die overal en nergens naartoe ging. Ik was er gek van. Dus las ik ook alles waar ik mijn handen kon op leggen. ‘My Life, My Tapes’ (as heard by Scott Frost) is een voorbeeld van hoe een tie-in moet zijn. Niet alleen was het een uitdieping van het hoofdkarakter maar het toonde ons ook iets meer van de mysteries waarop de verhaallijn dreef en wat vooraf ging in de Twin Peaks tijdlijn, met een goed gedoseerde expositie die vroeg naar meer. Het was opgesteld in dagboekvorm en de vroege exploten van Dale Cooper en zijn jeugdige wedervaringen zijn zo humoristisch gevat, dat ik soms luidop moest lachen. Dat was een waarlijk bevredigende leeservaring. En het is toch dat, beste Boppers, waar we steeds naar op zoek zijn, waar we telkens weer op hopen als we een nieuw boek openslaan?

maandag 23 november 2009

Once more with feeling.....

In den beginne was er het woord. En het woord was goed. Het woord gaf ons leven. Want alles start met een verhaal. Een verhaal waarin mensen zich herkennen, een verhaal dat begeestert, waarin je jezelf letterlijk kunt verliezen. Soms is het spannend en meeslepend, soms is het leerrijk en verhelderend en leert het ons iets over onszelf. De beste verhalen zijn een combinatie van beide.

Maar een verhaal is niet genoeg. De gebeurtenissen moeten gedragen worden door karakters van vlees en bloed. Karakters met een achtergrond en een persoonlijkheid, een insteek en motivatie, geen bordkartonnen instrumenten ten behoeve van de plot, geen vrijblijvende plotmastiek. Maar dit is nog niet alles. Er is nog een derde element: dialoog. Wat ook de vorm is waarin men het verhaal vertelt (boek of film), het is de gehanteerde taal die ons uiteindelijk als een vis aan de haak het verhaal binnen trekt...willens nillens. Dialoog is de uiting van karakter, het stuwt de ontwikkeling van het verhaal, het maakt het verschil tussen geloofwaardigheid en oppervlakkigheid. Goede dialoog, geschreven door een schrijver (Stephen King, Elmore Leonard, Quentin Tarantino,…) met een oor voor spreektaal is een vrijkaart voor een topopvoering. Alles start dus met de schrijver. Met de creativiteit en het metier van degene die het verhaal of het script op papier zet.

Daarom heb ik een grote waardering voor mensen zoals Joss Whedon. Verantwoordelijk voor 7 seizoenen van ‘Buffy the Vampire Slayer’ (8 seizoenen als je de ‘comics’- continuatie meetelt) heeft hij met elke aflevering het Olympisch minimumniveau voor kwalitatieve TV shows ietsje hoger getild. Met elke aflevering ging je meer van de personages houden, en ondanks mijn grote afstand tot de demagogische doelgroep, werd ik langzaam en zonder verweer ondergedompeld in de ‘Buffyverse’. De show werd gekenmerkt door creatieve verhaallijnen, een frisse wedergeboorte van de oude vampierenmythologie, sprankelende dialogen en extreem grappig taalgebruik (Does anybody feel like they have been Keyser Sozed?) en een supercast! Een aantal memorabele afleveringen springen er toch uit. ‘The body’ een hartverscheurend en ingetogen confrontatie met de dood van haar moeder, ‘Hush’ een kippenvel inducerende horroruitstap zonder woorden en ‘Once More with feeling’: alles wat goed was aan Buffy, maar dan onder de vorm van een musical !!

Whedon liet het daar niet bij. Zijn volgende project, ‘Firefly’, ging over een groep vrijbuiters die uit de klauwen probeert te blijven van een centraal gezag met fascistische trekjes. Gesitueerd in een niet nader bepaalde toekomst vliegen ze space-opera gewijs van de ene uithoek van het heelal naar de andere. Maar hier opnieuw is de setting maar een excuus om goede (universele) verhalen te vertellen, gekenmerkt door een subtiele en uitgewerkte karakterontwikkeling. Helaas is deze show na 16 afleveringen ter ziele gegaan. Het is een terugkerend zeer bij genreshows dat de netwerken zeer snel een show aborteren wanneer de kijkcijfers tegenvallen. Vroeger werd een show nog de tijd gegund om langzaam een publiek op te bouwen. Maar die tijd zijn we intussen ook voorbij. Gelukkig had Firefly een grote schare fans en Whedon kon met de film ‘Serenity’ toch nog een en ander van zijn verhaalontwikkeling afronden. Maar helaas niet alles, en de fanboy in mij is uitermate ontstemd en bedroefd over de tal van mogelijke Firefly-avonturen die hierdoor ontbeerd moeten worden. Whedon lanceerde dan maar een hilarische webmusical ‘Dr. Horrible’s Sing-Along Blog’.

Daarna kwam hij terug naar televisie met ‘Dollhouse’, ook bij ons te volgen op 2BE, maar ondertussen reeds gesneuveld in de US tijdens het tweede seizoen. Het netwerk trok er de stekker uit. Ik heb een aantal afleveringen bekeken en het afvoeren van de show doet me weinig. ‘Dollhouse’ werkte niet voor mij. En ik vraag me af waarom Whedon, genie dat hij is, een van de grootste verhalenvertellers van het laatste decennium, niet heeft ingezien waarom. Omdat de premisse van de show ingaat tegen één van zijn basisstellingen. Je moet je namelijk kunnen identificeren met de hoofdpersonages. En dat gaat zeer moeilijk als de hoofdpersoon iedereen week telkens een andere persoonlijkheid krijgt ‘gedowndload’ en de rest van de karakters – pardon my French – (bijna)beuzakken zijn. De personages uit ‘Buffy’ & ‘Firefly’, daar had je graag bevriend mee geweest. Maar het kon me niet schelen wat er met die gasten uit ‘Dollhouse’ gebeurde…Dat is een regel met een heel breed toepassingsveld. Zo lees ik ook met node een roman uit waarvan ik het hoofdpersonage niet kan luchten….life’s too short for that, you know.

Voor Joss is nu de maat vol. Hij wil zich concentreren op Film en Internet, misschien nog comics…Hij zal wel een uitlaatklep vinden om zijn ding te doen. We hebben het volste vertrouwen in zijn kunnen en in zijn onbeheersbare drang om verhalen te vertellen. Komaan Joss, once more with feeling…

maandag 27 juli 2009

'I see dead people...'

De kleine Haley Joel Osment legt zijn getormenteerde zieltje bloot in 'The Sixth Sense' (1999) wanneer hij Bruce Willis uiteindelijk toevertrouwt dat hij dode mensen ziet. In dat ene zinnetje ligt al de angst, verdriet en last besloten die hij op zijn jonge schouders moet torsen in deze prachtige film van M. Night Shyamalan. Die uitspraak is echter ten huize boekenknul een eigen leven gaan leiden. Zoals die keer in het vegetarisch eethuis toen een lange uitgemergelde medemens met zakken onder zijn ogen en een lijkbleke huid plaatsnam aan het tafeltje naast ons. Er zijn een aantal grote mysteries in het leven - en dan spreek ik niet over de programmatie van Milk Inc. op Rock Werchter - maar over de oorsprong van het universum, de liefde en de dood. Onze mythologieën en religies proberen sinds mensheugenis deze mysteries te vatten en gemoedsrust te boetseren uit de nooit aflatende modderstroom van vragen, twijfels en onrust die gepaard gaat met overpeinzingen over deze onderwerpen.

Zo ook de literatuur. Meer bepaald de genreliteratuur heeft zich uitvoerig en enthousiast van het onderwerp 'leven na de dood' gekweten. Het is een onuitputtelijke bron gebleken van verhalen over dolgedraaide zombies, bloeddorstige vampieren, oeroude natuurkrachten, demonen, duivels en djinns. En bovenal zijn er de zielen van overledenen op zoek naar wraak en genoegdoening, de klopgeesten, de kwelduivels en spoken. Regelmatig worden de vaste stanza's van het genre nieuw leven ingeblazen. Kijken we maar naar de heruitvinding van de vampierenmythologie door Anne Rice met 'The Vampire Chronicles' en meer recent naar het succes van de 'Twilight' serie van Stephenie Meyer. Of naar de crossover/mash-up literatuur die zombies introduceert in het universum van Jane Austen (heiligschennis, hoor ik roepen..) met 'Pride and Prejudice and Zombies' van Seth Grahame-Smith. Het terrein kent heel wat veelschrijvers, Stephen King als meest bekende. Maar er is ook Dean Koontz.

Koontz kwam op boekenknul's radar met 'Fear Nothing' het bizarre verhaal van Christopher Snow die, geplaagd door een zeldzame huidziekte waardoor hij elk contact met zonlicht moet vermijden, 's nachts door de verlaten straten van Moonlight Bay wandelt met zijn hond Orson. Het boek liet zich opmerken door de knappe sfeerschepping van naderend onheil en het soms wat grappig- barokke taalgebruik. (En er zijn ook gemuteerde razende rhesus aapjes die Snow achterna zitten - ook niet slecht om de vaart er wat in te houden.) Maar achteraf bekeken, denk ik dat dit slechts een oefening was voor 'Odd Thomas'. Dit boek is het eerste in de reeks van Thomas Odd verhalen en tot nu toe het beste wat hij op papier heeft gezet. Thomas is een twintigjarige 'short order cook' die in het dorpje Pico Mundo woont. Hij heeft een vriendin - Stormy Llewellyn - en een aantal goede vrienden. En hij maakt de beste 'fluffy pancakes' van heel Pico Mundo en omstreken. Slechts één probleempje. He sees dead people.

Inderdaad, Thomas ziet dingen, ziet de horror die anderen meestal ontsnapt. Hij kan ook voorspellen wanneer er erge dingen staan te gebeuren. Maar wat dit boek zo goed maakt, is niet alleen de knap opgebouwde spanning en de ongelooflijke verrassing op het einde van het verhaal, maar de figuur van Odd Thomas zelf. Dean Koontz heeft met Oddie een literaire figuur geschapen die memorabel - alsook op een vreemde manier - 'verheffend' is. Odd kan als voorbeeld dienen hoe men zich onder 'stress' (en ik gebruik het woord niet lichtzinnig) toch nog waardig en menslievend kan gedragen. Tevens heeft Odd een verfrissend beleefd taalgebruik en is hij iemand die ondanks alles wat rondom hem gebeurt, zijn evenwicht bewaart. Odd's wedervaren worden tevens gekruid met kleine waarheden en pareltjes van zenwijsheid door zijn bespiegelingen over het alledaagse leven. En als dat nog niet genoeg is, loopt de gekwelde geest van Elvis Presley hem regelmatig voor de voeten. Momenteel is het vierde boek uit: 'Odd Hours' en Koontz zegt dat de serie uit zeven delen zal bestaan. Eerlijk gezegd, het eerste boek is nog steeds het beste in de serie en je kunt het hierbij laten maar ik verzeker jullie, beste Boppers, dat eenmaal kennis gemaakt met Thomas, je misschien wel wat langer in zijn gezelschap zal wensen te vertoeven.

dinsdag 7 juli 2009

Het Reële en de Aliens in ons...

Peter Watts (de schrijver, niet het fictieve personage uit de onderschatte en te vroeg ter ziele gegane TV serie ‘Millennium’) heeft met ‘Blindsight‘ zijn vijfde boek afgeleverd. Een niet onaardige poging om First Contact met buitenaardse aliens te beschrijven. Van opleiding marinebioloog, had hij in zijn debuutroman ‘Starfish’ uit 1999 een ganse menagerie aan exotisch diepzeeleven laten opdraven, waarvan de - in de echte wereld bestaande - specimens de grenzen van de verbeelding met verve aftastten. Met ‘Blindsight’ heeft hij echter alle stoppen uitgetrokken, recente inzichten in een veelheid van wetenschapsdomeinen tot ver buiten hun initiële stellingen geëxtrapoleerd en een alien gecreëerd de term waardig. Geen ‘Star Trek’ alien gebaseerd op een menselijke template, noch een knuffel-ET, maar een ‘ding’ dat ons begripsvermogen overstijgt. Dat gaat reeds een heel eind in de goede richting om ons te entertainen maar geeft ook aanleiding tot een fundamentele vraagstelling. Wat is ‘Alien’? Wat als iets nu waarlijk vreemd is aan onszelf, zo vreemd dat we er geen woorden voor hebben, zouden we het dan met symbolen proberen te omsingelen of zouden we, overmand door angst de andere kant uit rennen, op zoek naar de uitgang? En wat als het ‘vreemde’ nu eens enkel bestond in onszelf en niet buiten ons?

In de psychoanalyse spreekt men over het Reële (niet te verwarren met de realiteit die uiteindelijk maar een construct, een model is) als datgene wat niet in woorden kan gevat worden, wat niet door de taal beheersbaar kan gemaakt worden. Het is in essentie een gapende kloof waarbinnen elke betekenis verdwijnt. Dit ‘tekort ‘ installeert ons als verlangende subjecten die middels een fantasme of wensdroom een verloren gegaan object terug binnen willen halen. Het is wat ons bij uitstek menselijk maakt. Dit steeds verschuivende verlangen maakt dat we verliefd worden en houdt ons de spiegel van totaal geluk en genot voor. Het maakt dat we op de lotto spelen en mensen op de maan zetten.

Maar het Reële fundeert ook de angst, waardoor elke angst verwijst naar het fundamentele afgrijzen door die betekenisloze kloof te worden opgeslorpt, zichzelf letterlijk – en letter voor letter - hierin te verliezen. Slavoj Zizek beschrijft het beter dan ik in ‘Schuins beziend’ zijn unieke analytische lezing van een aantal hedendaagse cultuurproducten. Zo haalt hij het SF kortverhaal ‘The unpleasant profession of Jonathan Hoag’ van Heinlein uit 1942 aan, waarin het hoofdpersonage uiteindelijk op het mythische dertiende verdiep wordt toegelaten en er te horen krijgt dat binnen onafzienbare tijd de ‘wereld’ zal herschreven worden en aangeraden wordt op dat specifieke moment vooral niet naar buiten te kijken. (Yeah, right!) Onderweg naar New-York gebeurt het onvermijdelijke: hij draait het autoraampje naar beneden en wordt geconfronteerd met een soort grijze kolkende ‘afwezigheid’ die hem de stuipen op het lijf jaagt. Datgene waar geen woorden voor zijn, valt dus onherroepelijk onder de mantel van de horror.

Andere kunstenaars hebben dit op hun eigen manier vorm proberen te geven. David Lynch met ‘Lost Highway’ waar de scènes op het strand onder de schaduw van het Reële vallen en een ‘unheimlich’ gevoel creëren dat bijna onhoudbaar wordt. Of neem Stephen King, met bepaalde stukken uit de Dark Tower cyclus. We herinneren ons toch nog Blaine, het op hol geslagen psychotische brein dat de trein bestuurt waarin onze helden zitten opgesloten? (Blain’s a pain and that’s the truth!) Of bepaalde flarden muziek van CocoRosie die als een ritmische bezweringsformule een barrière proberen op de werpen tegen een niet aflatende en voortkruipende angst?

Een ander kenmerk van echte horror zoals vormgegeven door het Reële, is dat het steeds als een plotse en onverwachte aanval op ons afkomt, zonder verklaring, zonder woorden en ontoombaar zoals een op hol geslagen trein (Blaine opnieuw). We kunnen er ons moeilijk aan onttrekken en worden als het ware in een draaikolk meegezogen. De confrontatie met horror is dus een confrontatie met een afwezigheid in ons, een alien-in-ons, die ons onnoemelijk meer angst inboezemt dan de alien-buiten-ons.

Tenzij die alien zich aandient in het culturele veld, handig vormgegeven door de successchrijvers van het genre. Wat ironisch is, want het is juist de taal, dat reservoir aan betekenaars dat ons als sprekende en verlangende wezens fundeert, die door de onvermijdelijke gaten in het spinnenweb van woorden waarmee we de wereld proberen te vangen, ons zo ontvankelijk maakt voor die angst. In afgezwakte versie best genietbaar in boek en film daar die juist een extra talige bescherming vormen tussen onszelf en …de alien within. Dus beste Bopper, weet dat je vannacht niet alleen bent, wanneer je wakker schrikt bij het horen van een verdacht geluid uit de woonkamer…

dinsdag 16 juni 2009

Roepen in de woestijn...

Dune… Arrakis…Desert Planet. Het boek van Frank Herbert veegde me letterlijk van de kaart toen ik het de eerste keer las. Je hebt zo van die boeken die je niet kunt neerleggen wanneer je er eenmaal in begonnen bent. Boeken die je opslorpen en alle besef van tijd doen verliezen, waarin je met open mond van de ene verbazing in de andere valt.Dune is een ambitieus epos waarin talrijke politieke intriges, persoonlijke afrekeningen, familiale vendetta’s, religieuze manipulaties, exotische gildes en sekten, planetaire ecologieën, dwingende profetieën, een superdrug (‘Spice Melange’) en conflicterende wereldvisies het toneel vormen voor een wervelend verhaal waarin de last van het verleden en de hoop op een betere toekomst op de jonge schouders van onze held, Paul Atreides worden gelegd.


Wanneer ik echt gepassioneerd ben door een verhaal, dan sluipen elementen van het boek het dagelijkse leven binnen, sommigen gaan er nooit meer weg. Voor mijn geestesoog zag ik op het voorhoofd van mijn huisdokter het ruitvormig embleem van een Suk dokter getatoeëerd, suiker in mijn thee werd Spice Melange, een wandelende non waargenomen in vol habijt werd een Bene Gesserit op weg naar een nieuwe intrige, een ritje met de wagen werd een vlucht met de omnithopter…Het overgrote deel van het verhaal in het eerste boek speelt zich af op Arrakis (Dune) een woestijnplaneet, habitat van een ruw volk dat heeft leren te overleven in de nietsontziende zandvlaktes. Ze droegen ‘stilpakken’ die hun lichaamsvochten recycleerden en krismessen gemaakt van de vlijmscherpe tanden van de zandwormen. Een latente interesse in de woestijn werd aldus opgeblazen door de amfetamines van de verbeelding.

En ik ben blijven lezen. ‘Grains of Sand’ van Martin Buckley is memorabel voor de inzet waarmee de schrijver alle woestijnen van onze planeet probeert te doorkruisen. Isabelle Eberhardt’s getroebleerde korte leven in ‘Een vrouw door de woestijn’,Hannie Halma en Arita Baaijens’ woestijnboeken, Wilfred Thesiger's legendarische trektochten door het ‘lege kwartier’ in Saoedi-Arabië, wellicht het meest dodelijke stukje woestijn op onze aardbol.

En toen een vriend me op een koude winteravond enthousiast vertelde over een kamelentocht in Tunesië, rijpte het plan om eindelijk eens zelf de confrontatie met de woestijn aan te gaan. Ik verzamelde vier vrienden die een dergelijke tocht wel zagen zitten en acht maanden later zaten we in het vliegtuig naar Djerba. Het was liefde op het eerste gezicht.

We trokken elke dag een beetje dieper de woestijn in, sliepen ’s nachts in het zand onder de sterrenhemel en aten vers brood dat de gidsen ’s morgen vroeg op houtskool hadden gebakken. We maakten lange dagtochten en zaten ’s middags onder een loden zon op een duintop te staren in de verte…om niets te zien…in complete stilte. We dronken lauw water dat smaakte naar ammoniak, lieten onze baarden staan en zongen samen met de Arabische kamelendrijvers rond het kampvuur. Het was fantastisch. En er gebeurde iets merkwaardigs. Waar ik de eerste dagen vanuit mijn ooghoeken nog een grote zandworm in een duinenrug kon ontwaren of met een gezel grapjes maakte over onze stilpakken (anti-UV woestijnhemd) of over onze ‘Spice Melange’ (pillen tegen de diarree), nam na een tijdje de woestijn het initiatief over. De schoonheid van het eindeloze zand had geen extra opsmuk nodig.

Een citaat van Edmond Faber legt het misschien beter uit. ‘Quand on a connu le désert, on lui reste à jamais redevable d’une épreuve bénéfique, celle qui vous enjoint d’oublier. Le silence du desert vous dépouille. Par là, vous devenez vous-même. C’est à dire: rien. Mais un rien qui écoute.
Het was een les in nederigheid. Sindsdien gaan we elk jaar terug naar de woestijn, niet in staat om te weerstaan aan de lokroep van het niets. Mijn bibliotheek woestijnboeken blijft maar uitbreiden. Frank Herbert heeft heel wat uit te leggen. Of misschien stond het altijd al in de sterren geschreven. Wat zei Honoré de Balzac ook al weer? ‘Le désert, c’est Dieu sans les hommes.’

zaterdag 6 juni 2009

Movie Magic !

Ik kreeg het deze week eventjes benauwd. Men gaat ‘Hyperion’ van Dan Simmons verfilmen. Ik ga het niet over dit boek hebben, dat is stof voor een andere post. Het volstaat aan te geven dat dit magistrale boek, een enigmatische en ontroerende raamvertelling vol knetterende ideeën en virtuoze sfeerschepping, één van mijn all-time favorites is. Hoeft het gezegd dat ik mijn hart vasthoud bij het anticiperen van het resultaat.

Want laten we eerlijk zijn, slechts weinig (SF) boeken vertalen goed naar het scherm. En niets houdt zoveel risico in als een boekverfilming of de remake van een eerder succes. Maar nog steeds trekken wij fans en liefhebbers met ongefundeerde verwachtingen en blije hoop naar de filmzaal, er van overtuigd dat ditmaal ons geliefkoosd boek (dat reeds een eigen leven is gaan leiden in onze verbeelding) zijn vele nuances, pakkende beeldspraak, beklijvende personages en weidse panorama’s mee heeft genomen in zijn metamorfose naar het witte doek. Het resultaat valt dikwijls tegen. Nochtans blijven we met een zekere hondse volharding hopen op beter. We zijn zelfs bereid hier en daar wat zaken door de vingers te zien om wat langer te kunnen verblijven in deze wereld, oorspronkelijk zo mooi vorm verleend in ons boek. Wat we hierbij veelal vergeten, is dat in deze sprong naar pelicule, het literaire materiaal nogal wat filters en mallen dient te passeren. Zo wordt het verhaal gekleurd door het fantasme van de regisseur, het verlangen van de scenarioschrijver, de blik van de belichter, ….inclusief de ambities van de studiobazen en marketinglui.

Het mag daarom een wonder heten dat het soms lukt (Lord of the Rings). Meestal is het resultaat onevenwichtig (Dune, Starship Troopers, I am Legend) of ronduit bedroevend. Oorzaak hiervan is, dat de wereld waarin het boek ons onderdompelt bij uitstek wordt gecreëerd door de subjectieve en individuele verbeelding van de schrijver EN van de lezer, waardoor het reeds van bij de aanvang verkleeft met onze eigen unieke manier waarop wij in het leven staan. Geen enkele film (resultaat van een collectief) kan hier tegenop. Elke verfilming draagt dus steeds het risico in zich dat het wordt opgevat als een krenking, een belediging aan het adres van onze verbeelding en dus onvermijdelijk ook van ons zelf. En dan krijgen de arme regisseur en scenarist het in de forums zwaar te verduren. Maar het kan ook anders. Wat wanneer film vertrekt van een blank canvas? Wanneer het gebaseerd is op een origineel script? Als ik mezelf als steekproef (n=1) neem (maar dan mag ik ook niet lichtvoetig extrapoleren) moet ik besluiten dat een film soms zwaarder doorweegt dan een boek. Dat een film me soms dagen in de ban kan houden, me echt gevangen kan nemen in het verhaal, me echt bij de keel kan grijpen op een manier waarop een boek dat niet kan. Hoe is dit mogelijk? Moet ik nu de naam van deze blog veranderen in ‘De Filmknul’? Have no fear, beste boppers. Het zal zo’n vaart niet lopen.

Maar neem nu ‘Mulholland Drive’ van David Lynch. Visueel en narratief begeesterend met een soundtrack die deze ervaring zowel aanvult als versterkt, zoals de slagroom op een Dame Blanche. Ik heb deze film nu meermaals gezien en nog steeds word ik meegezogen in die prachtige draaikolk van beelden en emoties. (De ontmoeting met de ‘cowboy’ op een verlaten donkere ranch, de scène met de cappuccino, de jongeling die in de ‘diner’ aan zijn vriend zijn nachtmerrie vertelt,…) Spreek ik dan nog niet over de knappe structuur waarin het eerste deel van de film na weken nadenken plots begrijpbaar wordt (in de mate van het mogelijke, het is nog steeds Lynch) als spiegelopstelling van het tweede deel zolang je de juiste semantische sleutel maar hanteert. Ik heb nog steeds geen boekequivalent gevonden voor deze soort filmervaring. Als psycholoog kan ik een mogelijke, hoewel dogmatische, verklaring aanbieden. Een boek leest men, naar een film moet je kijken en luisteren. Het manipuleert op een veel directere manier de ervaring omdat het twee objecten van verlangen in de strijd kan werpen, wat het boek niet kan. Namelijk de blik en de stem. Het zijn vehikels van het verlangen. We kunnen erop verliefd worden…een bepaalde manier van kijken, een bepaalde klankintonatie en we zijn verloren….En daarom beste boppers, kan film ons danig vatten en - soms – een streepje voor hebben op een boek. Movie Magic indeed!

dinsdag 28 april 2009

Juicy Technology en de droom van een vergeten toekomst...

Soms is technologie eerder een vloek dan een zegen, maar wanneer ze goed doordacht is en de gebruiker op een hoger niveau van gelukzaligheid, inzicht of vrijheid wordt getild, dan is ze ‘Juicy’. Het begrip is niet zo makkelijk ondubbelzinnig te beschrijven maar er zijn toch een aantal criteria waaraan technologie moet voldoen vooraleer ze ‘juicy’ wordt. Vooreerst geeft Juicy Technology (JT) haar grootste meerwaarde vrij waar ze in een speelse context wordt ontwikkeld en gebruikt. Het injecteert kleine momenten van plezier en welbehagen in een wereld van grijze middelmatigheid en monotonie. Zoals een druppel afwasmiddel het vet verjaagt, zo zal JT doorheen de oppervlaktespanning van verveling en frustratie breken. Een voorbeeld hiervan is de applicatie ‘Poladroid’ die je foto’s omtovert in oude, gekraste, vreemdkleurige Polaroids. De interface is hilarisch; zo kan je bijvoorbeeld de ontwikkeling van je Poladroid zelf bespoedigen door de foto op de desktop snel met de muis heen en weer te slepen, net zoals je vroeger met een echte Polaroid schudde om de afwerking ervan te versnellen.

Ander voorbeeld: de GPS in je auto. Gedaan met de frustraties, ruzies over de correcte interpretatie van de wegenkaart of wanhoop bij het nogmaals missen van de juiste afrit. Die reis in het buitenland wordt een aaneengeregen snoer van ontdekkingen en rustig genieten in de zekerheid dat je GPS klaarstaat om over te nemen wanneer nodig. Een ander JT criterium is het gebruiksgemak. De huidige digitale televisiegidsen laten je elk programma of episode van je favoriete serie één-kliksgewijs opnemen zonder het vroegere gestoethaspel bij het instellen van de begin- en eindtijden, zender of opnamesnelheid. Zie ook de combinatie iPod en iTunes waar een mooie design en weldoordachte software mijn muziekbeleving intensifieert, faciliteert en catalogeert. Op basis van deze criteria kun je ook zien dat e-mail oorspronkelijk misschien wel ‘JT’ was maar nu niet meer. JT toont ons ook dat de menselijke creativiteit in staat is om uit het grote bewuste en onbewuste reservoir van onze toekomstdromen te tappen. JT is geïnspireerd op half vergeten wensdromen van wat in de toekomst allemaal mogelijk zou worden. Het is de verwezenlijking van wat eens een embryonaal verlangen was van een vorige generatie. Het is de Star Trek communicator getransformeerd in de GSM. Het is de persoonlijke helikopter uit een verloren toekomstbeeld van de jaren ’30 gemetamorfoseerd in de ‘Segway'.

In ‘The Gernsback continuum’ (het eerste gepubliceerde verhaal van William Gibson (tevens de schrijver van ‘Neuromancer’ (cyperpunk) en meer mainstream ook ‘Spook Country’ en ‘Pattern Recognition’ ) wordt op een vertederende manier beschreven hoe een gefantaseerd Amerikaans toekomstbeeld, ontstaan in de eerste helft van de 20ste eeuw (cfr. de Zeppelins die (nooit) aanlegden aan de top van de Empire State, de gestroomlijnde reuze vliegtuigen die nooit hebben gevlogen, de autobanen met tachtig rijvakken die nooit werden gebouwd, de Flash Gordon Art-Deco stijl…), voortleeft in half vergeten semiotische spookbeelden, in een ‘architectuur van stukgeslagen dromen’ die een beïnvloedbaar hoofdpersonage als hallucinaties overvallen. (Dit verhaal verscheen oorspronkelijk in de 'Mirrorshades' verzamelaar, samengesteld door Bruce Sterling.) Ook JT pikt een aantal van deze scherven op en refereert naar de gedurfde blauwdrukken van onmogelijke ruimteschepen en ander utopisch tuig en is zo een hommage aan stoutmoedige denkers en visionairs. Daarom zijn bij uitbreiding de Space Shuttle en het Hellend Vlak van Ronquieres ook voorbeelden van JT.

Helaas werd de Space Shuttle reeds achteloos verwezen naar het museum van verloren en vergeten dromen; geparkeerd naast de Concorde en andere relikwieën die misschien het stadium van de tekentafel nooit zijn ontgroeid, maar die wel de harten van mensen hebben beroerd. Daarom moeten we opnieuw dromen, in felle kleuren en op grote canvassen, we moeten dat collectieve reservoir terug vullen met exuberante wensdromen en vistas van technologische wonderen ten behoeve van de komende generaties. Het is niets anders dan onze plicht, Boppers.

dinsdag 14 april 2009

Old Skool SF

Je moet ervan houden. Golden Age SF uit de jaren 1930 - 1950. Toen ruimteschepen nog fallisch herkenbaar waren en de helden mannen uit één stuk die schone deernes redden uit de tentakels van de verschrikkelijke aliens van de planeet Zog. Alles wat ik ken, heb ik geleerd uit die boeken. Ik was een van de astronauten te midden van een desolaat marslandschap bezaaid met de trieste resten van een verdwenen beschaving en leerde meer over eenzaamheid en afscheid van Ray Bradbury dan van wie ook. (‘The Martian Chronicles’). Alfred Bester leerde me grote organisaties wantrouwen en ik zag hoe wraakgevoelens een mens kunnen veranderen en hoe men volledig hierdoor verteerd, toch nog een staat van genade kan vinden (‘The Stars my destination’). Ook maakte ik wereldreizen op exotische planeten, leerde vreemde gebruiken, talen en mensen kennen van Jack Vance en leerde verdraagzaamheid (Big Planet). Je bent jong en beïnvloedbaar en die staat van opwinding, begeestering en verwondering bij het lezen van die uitheemse avonturen… die is ongeëvenaard.

Ah, die regenachtige namiddagen toen ik thuis naast het haardvuur lag met de hond en ik boek na boek verslond. Maar je wordt ‘volwassen’ en een beetje van die oorspronkelijke luister en onversneden gloed van het genre verdwijnt. Begrijp me niet verkeerd. Ik ben SF blijven volgen en ben best blij dat mijn ‘sense of wonder’ niet al te veel is afgestompt. Maar die eerste ervaringen, die blijf je meedragen. Daarom heb ik een zwakte voor oude SF. Om dezelfde reden hou ik van de originele Star Trek episodes. Met het risico dat sommigen wellicht de wenkbrauwen zullen fronsen, moet ik toegeven dat ik onlangs op een managementopleiding voor ‘grootste rolmodel tijdens mijn jeugd’, James T. Kirk heb neergeschreven. OK, een beetje lolbroekerij is me niet vreemd maar alle gekheid op een stokje: Kirk was besluitvaardig, rechtschapen, moedig, kapitein van een ruimteschip… En dan zwijgen we nog over het vrouwelijk schoon dat zich elke week voor zijn voeten wierp, waaronder de onder fanboys zo geliefde Orian Slave girls…


Daarom ben ik uitermate blij dat Heinlein terug is opgestaan. Inderdaad Robert A. Heinlein, het grote boegbeeld van ‘The Golden Age of SF’ is terug en hij noemt John Scalzi. Hoe dikwijls heb ik niet met Johnnie Rico uit een combat shuttle mee gesprongen om de ’bugs’ te gaan bestrijden in ‘Starship Troopers’. Dit weekend sloeg ik met een grote zucht van voldoening het laatste blad om van ‘Old Man’s War’ van John Scalzi. Korte inhoud: de toekomst, de mensheid heeft reeds heel wat planeten gekoloniseerd maar is helaas continu in oorlogen verwikkeld met aliens van allerlei pluimage om nieuwe levensvatbare planeten binnen te rijven of van elkaar af te nemen. Oude knakkers met een minimumleeftijd van 75 jaar, kunnen dienst nemen in het koloniale leger en worden na een ‘medische behandeling’ als superfitte soldaten in de strijd geworpen. Na hun ‘tour of duty’ – indien ze die overleven want de overlevingskansen zijn extreem laag – krijgen ze een stukje land op een of andere planeet om zich daar als kolonist te vestigen. Het gegeven is aantrekkelijk in die zin dat je hier soldaten hebt die allemaal een levenswijsheid van 75 jaar of meer achter de kiezen hebben, wat aanleiding heeft tot soms nogal grappige - en minder grappige- beschouwingen te midden van al die ellende. Het leest als een trein. Debet hieraan zijn de eerste hoofdstukken, waarin al die oudjes door hun behandeling en training moeten en een aantal technologische toekomststaaltjes zoals een supergevechtsuitrusting… net zoals bij Heinlein. Alles keert terug.

’Old Man's War’ is het eerste deel van een trilogie. De buzz is dat de latere delen het niveau van het eerste niet halen. Maar dat zal ik zelf wel onderzoeken. So, stay tuned Boppers.

maandag 13 april 2009

Alessandro Baricco en de muziek van AIR

De immer leesbare Dr. Samuel Johnson, achttiende eeuws lexicograaf, schrijver en journalist - graag bezocht door 'learned ladies of wit and fashion' - laat in zijn biografie 'The life of Samuel Johnson' door James Boswell het volgende optekenen: 'A young man ought to read just as inclination leads him; for what he reads as a task will do him little good'. Een pleidooi voor het associatief lezen, evenveel ingegeven door tijdelijke interesses en voorliefdes als onbewuste impulsen. Een boek verwijst meestal naar een ander boek, zoals woorden verwijzen naar andere woorden. '...that which we call a rose by any other name would smell as sweet...' en van die dingen. Dit associatief gehakketak beperkt zich zelden tot één kunstvorm en dan wordt het leuk. Volgt U even mee?

De muziek van AIR, een Frans electropop duo, had me een tijdje danig in zijn greep. In de ban van de CD 'Moon Safari' - waar ik maar niet genoeg van kreeg - vond ik in de platenbakken toevallig de CD 'AIR City Reading'. Het betrof hier een collaboratie tussen AIR en Alessandro Baricco, Italiaans schrijver, filosoof en muziekcriticus. Die had het idee opgevat om een aantal stukken uit zijn roman 'City' voor te lezen, live ondersteund door muziek van AIR.
Deze voorstellingen waren een succes en er werd een CD van gemaakt, die ik me dan ook prompt aanschafte, geenszins gehinderd door een totale onkunde wat betreft het Italiaans. Dat was niet zo erg want in eerste instantie bleek de rustige stem van Baricco, omweven door het geluidstapijt van AIR, een ideale speelplaats voor mijn verbeelding. Air had reeds vroeger blijk gegeven van een superieure beheersing van hun ambacht toen ze in 1999 de soundtrack bij de film 'The Virgin Suicides' van Sofia Coppola mochten afleveren. Hun dromerige en beklijvende score is zowat de muzikale flipzijde van het hypnotiserend boek van Jeffrey Eugenides waarop de film is gebaseerd. Bij de CD van 'City Reading' zat echter een boekje met de Engelse vertaling van de teksten die Baricco voorleest. De muziek bleek flexibel genoeg om bij een nieuwe en 'verlichte' beluistering (want nu wist ik tenminste waarover het ging) het verhaal van de nodige impact te voorzien.

Wat vertelt hij ons? Na de publicatie van 'Ocean Sea' en 'Silk', sloeg Baricco met 'City' een andere weg in. Het zeer lyrische en poëtische taalgebruik, de diverse verhaalstrengen, de soms uitgesponnen gedachten associaties en beschrijvingen maakten van het boek een iets moeilijkere pil om te slikken dan zijn voorgangers. Doch laat dit u niet afschrikken. 'City' is eersteklas leesvoer dat handelt over een wiskundig wonderkind (Gould) en zijn gouvernante genaamd Shatzy Shell, een jonge vrouw met een wel geheel eigen kijk op het leven. Een bijwijlen humoristische raamvertelling die eveneens het verhaal van een bokser en een western omvat. City: elke straat in de stad een mensenleven, een verhaal, de ene meanderend in de ander.

Het zijn nu net die western vignetten die Baricco voorleest. Shatzy werkt namelijk aan een wenstern en vertelt in het boek de wedervaren van een aantal personages die het fictieve westernstadje Closing Town (de naam alleen al) bevolken. Als men haar vraagt of het een boek of een filmt wordt, antwoordt ze gewoon: 'het is een western'. De westernscènes -extra punch gegeven door AIR - bleven me na beluistering/lezing achtervolgen maar het duurde nog jaren vooraleer ik het volledige boek ter hand nam. Tot mijn verbazing en verrukking bleek het boek bijkomende westernscènes te bevatten, die in een uitgestelde beweging, de oorspronkelijke beluistering aan betekenis deden winnen. Jackpot, denk ik dan. Van de weeromstuit bestelde ik 'Ocean Sea' en 'Silk'. De laatste is trouwens verfilmd in 2007met Kiera Knightly in de hoofdrol. Lees ik eerst het boek, of bekijk ik eerst de film of luister ik eerst naar de soundtrack van Ryuichi Sakamoto? (Die trouwens de muziek maakte bij het heerlijke 'Wild Palms' (TV) uit '93, die bij sommige SF-liefhebbers wel een belletje zal doen rinkelen.)

Ah, keuzes, keuzes, beste Boppers, maar leuke keuzes. Dus laat het associatieve lot ook eens uw volgende film of boek bepalen, laat een onverwachte wending, een sfeer, een woord, een titel of een blik uw zoektocht sturen. Een pot met goud is slechts het minste wat men aan het eind van de regenboog kan vinden.

zaterdag 4 april 2009

Over katten en honden...

Deze ochtend had ik een discussie met een collega die zei dat je niet een kattenpersoon en een hondenpersoon kunt zijn. Die voorliefde voor katten en honden ligt blijkbaar genetisch en onvoorwaardelijk vast. Mmmm…ik denk het niet. Er bestaat minstens één persoon die van hondenman naar kattenman is geëvolueerd. Mezelf! Ik hou van de blaffende viervoeters en ben opgegroeid met een schat van een labrador. Maar gebeurtenissen hebben me een beetje een andere kant uitgeduwd. Vooreerst heb ik nu meer dan voldoende honden achter me aan gekregen tijdens het joggen. (Hij bijt niet hoor!) En ten tweede heeft zich vorig jaar een zwerfkat in ons huis gevestigd die iedereen met gemak rond zijn poot windt. Soort: Felix Vulgaris, maar met meer charme en persoonlijkheid dan dat ik in een kat voor mogelijk hield. Op den duur ga je onvermijdelijk je huisdier menselijke trekjes toedichten. In de wondere wereld van de literatuur gaat men – natuurlijk - nog een stapje verder.

In ‘A boy and his dog’ een film uit 1974 met de piepjonge Don Johnson in de hoofdrol en gebaseerd op een novelle van Harlan Ellison (tevens schrijver van het oorspronkelijke script voor ‘City on the Edge of Forever’ (Star Trek - seizoen 1, door velen geroemd als de beste TOS aflevering, waarvoor respect!) is de hoofdrol toebedeeld aan een telepathische, popcorn etende en moppentappende hond genaamd ‘Blood’. Samen met baasje Vic (Johnson) die hij eigenlijk als zijn protegé beschouwd en de enige persoon die Blood kan ‘horen’, beleven ze de wildste avonturen te midden van een postapocalyptisch landschap (kernoorlog) terwijl ze op zoek zijn naar voedsel, water, popcorn voor Blood en meisjes voor Vic (18 jaar en gierende hormonen) en terwijl ze proberen uit handen te blijven van bendes bandieten en mutanten. (Je typische SF post-nucleaire bevolking, quoi.) Blood en Vic zijn afhankelijk van elkaar voor hun overleving en hun innige band verleent de film meer spankracht dan de korte inhoud doet vermoeden.

David Weber, bedenker van de ‘Honorverse’, de ongelooflijk gedetailleerde wereld waarin Admiral ‘Lady’ Dame Honor Harrington allerlei avonturen beleeft in de ‘Royal Manticoran Space Navy', moet een kattenpersoon zijn. Onze heldin – een geüpdate Horatio Hornblower - is immers continu vergezeld van de kat Nimitz (meer een soort boomkat met 6 poten) die voorzien is van een imposant setje klauwen en een meer dan onmenselijke reactiesnelheid. En – o ja – Nimitz en Honor delen een diepe telepathische band. En waar Blood van popcorn houdt, heeft Nimitz dan weer een voorliefde voor selder.

Andere voorbeelden zijn legio. Wat spreekt hier nu eigenlijk uit? De inherente dwang van de mens om alles te ‘antropomorfiseren’? (Laten we het dan nog niet hebben over computers en machines die menselijke trekjes, intelligentie, persoonlijkheid of wilsbeschikking worden toegedicht in het SF canon en in de echte wereld.) Of dat onze genetische ‘hardwired’ empathie zich niet beperkt tot onze eigen soortgenoten?

Wie weet Boppers? Misschien zijn we wel jaloers op het genot dat zo makkelijk door onze huisdieren wordt bijeengebedeld en waar ze zich zo schaamteloos kunnen aan overgeven. Al ooit eens een spinnende kat of extatische hond zich in allerlei wulpse bochten zien kronkelen tijdens het kopje krabben?