Pagina's

Posts tonen met het label TOS. Alle posts tonen
Posts tonen met het label TOS. Alle posts tonen

dinsdag 28 april 2009

Juicy Technology en de droom van een vergeten toekomst...

Soms is technologie eerder een vloek dan een zegen, maar wanneer ze goed doordacht is en de gebruiker op een hoger niveau van gelukzaligheid, inzicht of vrijheid wordt getild, dan is ze ‘Juicy’. Het begrip is niet zo makkelijk ondubbelzinnig te beschrijven maar er zijn toch een aantal criteria waaraan technologie moet voldoen vooraleer ze ‘juicy’ wordt. Vooreerst geeft Juicy Technology (JT) haar grootste meerwaarde vrij waar ze in een speelse context wordt ontwikkeld en gebruikt. Het injecteert kleine momenten van plezier en welbehagen in een wereld van grijze middelmatigheid en monotonie. Zoals een druppel afwasmiddel het vet verjaagt, zo zal JT doorheen de oppervlaktespanning van verveling en frustratie breken. Een voorbeeld hiervan is de applicatie ‘Poladroid’ die je foto’s omtovert in oude, gekraste, vreemdkleurige Polaroids. De interface is hilarisch; zo kan je bijvoorbeeld de ontwikkeling van je Poladroid zelf bespoedigen door de foto op de desktop snel met de muis heen en weer te slepen, net zoals je vroeger met een echte Polaroid schudde om de afwerking ervan te versnellen.

Ander voorbeeld: de GPS in je auto. Gedaan met de frustraties, ruzies over de correcte interpretatie van de wegenkaart of wanhoop bij het nogmaals missen van de juiste afrit. Die reis in het buitenland wordt een aaneengeregen snoer van ontdekkingen en rustig genieten in de zekerheid dat je GPS klaarstaat om over te nemen wanneer nodig. Een ander JT criterium is het gebruiksgemak. De huidige digitale televisiegidsen laten je elk programma of episode van je favoriete serie één-kliksgewijs opnemen zonder het vroegere gestoethaspel bij het instellen van de begin- en eindtijden, zender of opnamesnelheid. Zie ook de combinatie iPod en iTunes waar een mooie design en weldoordachte software mijn muziekbeleving intensifieert, faciliteert en catalogeert. Op basis van deze criteria kun je ook zien dat e-mail oorspronkelijk misschien wel ‘JT’ was maar nu niet meer. JT toont ons ook dat de menselijke creativiteit in staat is om uit het grote bewuste en onbewuste reservoir van onze toekomstdromen te tappen. JT is geïnspireerd op half vergeten wensdromen van wat in de toekomst allemaal mogelijk zou worden. Het is de verwezenlijking van wat eens een embryonaal verlangen was van een vorige generatie. Het is de Star Trek communicator getransformeerd in de GSM. Het is de persoonlijke helikopter uit een verloren toekomstbeeld van de jaren ’30 gemetamorfoseerd in de ‘Segway'.

In ‘The Gernsback continuum’ (het eerste gepubliceerde verhaal van William Gibson (tevens de schrijver van ‘Neuromancer’ (cyperpunk) en meer mainstream ook ‘Spook Country’ en ‘Pattern Recognition’ ) wordt op een vertederende manier beschreven hoe een gefantaseerd Amerikaans toekomstbeeld, ontstaan in de eerste helft van de 20ste eeuw (cfr. de Zeppelins die (nooit) aanlegden aan de top van de Empire State, de gestroomlijnde reuze vliegtuigen die nooit hebben gevlogen, de autobanen met tachtig rijvakken die nooit werden gebouwd, de Flash Gordon Art-Deco stijl…), voortleeft in half vergeten semiotische spookbeelden, in een ‘architectuur van stukgeslagen dromen’ die een beïnvloedbaar hoofdpersonage als hallucinaties overvallen. (Dit verhaal verscheen oorspronkelijk in de 'Mirrorshades' verzamelaar, samengesteld door Bruce Sterling.) Ook JT pikt een aantal van deze scherven op en refereert naar de gedurfde blauwdrukken van onmogelijke ruimteschepen en ander utopisch tuig en is zo een hommage aan stoutmoedige denkers en visionairs. Daarom zijn bij uitbreiding de Space Shuttle en het Hellend Vlak van Ronquieres ook voorbeelden van JT.

Helaas werd de Space Shuttle reeds achteloos verwezen naar het museum van verloren en vergeten dromen; geparkeerd naast de Concorde en andere relikwieën die misschien het stadium van de tekentafel nooit zijn ontgroeid, maar die wel de harten van mensen hebben beroerd. Daarom moeten we opnieuw dromen, in felle kleuren en op grote canvassen, we moeten dat collectieve reservoir terug vullen met exuberante wensdromen en vistas van technologische wonderen ten behoeve van de komende generaties. Het is niets anders dan onze plicht, Boppers.

dinsdag 14 april 2009

Old Skool SF

Je moet ervan houden. Golden Age SF uit de jaren 1930 - 1950. Toen ruimteschepen nog fallisch herkenbaar waren en de helden mannen uit één stuk die schone deernes redden uit de tentakels van de verschrikkelijke aliens van de planeet Zog. Alles wat ik ken, heb ik geleerd uit die boeken. Ik was een van de astronauten te midden van een desolaat marslandschap bezaaid met de trieste resten van een verdwenen beschaving en leerde meer over eenzaamheid en afscheid van Ray Bradbury dan van wie ook. (‘The Martian Chronicles’). Alfred Bester leerde me grote organisaties wantrouwen en ik zag hoe wraakgevoelens een mens kunnen veranderen en hoe men volledig hierdoor verteerd, toch nog een staat van genade kan vinden (‘The Stars my destination’). Ook maakte ik wereldreizen op exotische planeten, leerde vreemde gebruiken, talen en mensen kennen van Jack Vance en leerde verdraagzaamheid (Big Planet). Je bent jong en beïnvloedbaar en die staat van opwinding, begeestering en verwondering bij het lezen van die uitheemse avonturen… die is ongeëvenaard.

Ah, die regenachtige namiddagen toen ik thuis naast het haardvuur lag met de hond en ik boek na boek verslond. Maar je wordt ‘volwassen’ en een beetje van die oorspronkelijke luister en onversneden gloed van het genre verdwijnt. Begrijp me niet verkeerd. Ik ben SF blijven volgen en ben best blij dat mijn ‘sense of wonder’ niet al te veel is afgestompt. Maar die eerste ervaringen, die blijf je meedragen. Daarom heb ik een zwakte voor oude SF. Om dezelfde reden hou ik van de originele Star Trek episodes. Met het risico dat sommigen wellicht de wenkbrauwen zullen fronsen, moet ik toegeven dat ik onlangs op een managementopleiding voor ‘grootste rolmodel tijdens mijn jeugd’, James T. Kirk heb neergeschreven. OK, een beetje lolbroekerij is me niet vreemd maar alle gekheid op een stokje: Kirk was besluitvaardig, rechtschapen, moedig, kapitein van een ruimteschip… En dan zwijgen we nog over het vrouwelijk schoon dat zich elke week voor zijn voeten wierp, waaronder de onder fanboys zo geliefde Orian Slave girls…


Daarom ben ik uitermate blij dat Heinlein terug is opgestaan. Inderdaad Robert A. Heinlein, het grote boegbeeld van ‘The Golden Age of SF’ is terug en hij noemt John Scalzi. Hoe dikwijls heb ik niet met Johnnie Rico uit een combat shuttle mee gesprongen om de ’bugs’ te gaan bestrijden in ‘Starship Troopers’. Dit weekend sloeg ik met een grote zucht van voldoening het laatste blad om van ‘Old Man’s War’ van John Scalzi. Korte inhoud: de toekomst, de mensheid heeft reeds heel wat planeten gekoloniseerd maar is helaas continu in oorlogen verwikkeld met aliens van allerlei pluimage om nieuwe levensvatbare planeten binnen te rijven of van elkaar af te nemen. Oude knakkers met een minimumleeftijd van 75 jaar, kunnen dienst nemen in het koloniale leger en worden na een ‘medische behandeling’ als superfitte soldaten in de strijd geworpen. Na hun ‘tour of duty’ – indien ze die overleven want de overlevingskansen zijn extreem laag – krijgen ze een stukje land op een of andere planeet om zich daar als kolonist te vestigen. Het gegeven is aantrekkelijk in die zin dat je hier soldaten hebt die allemaal een levenswijsheid van 75 jaar of meer achter de kiezen hebben, wat aanleiding heeft tot soms nogal grappige - en minder grappige- beschouwingen te midden van al die ellende. Het leest als een trein. Debet hieraan zijn de eerste hoofdstukken, waarin al die oudjes door hun behandeling en training moeten en een aantal technologische toekomststaaltjes zoals een supergevechtsuitrusting… net zoals bij Heinlein. Alles keert terug.

’Old Man's War’ is het eerste deel van een trilogie. De buzz is dat de latere delen het niveau van het eerste niet halen. Maar dat zal ik zelf wel onderzoeken. So, stay tuned Boppers.

zaterdag 4 april 2009

Over katten en honden...

Deze ochtend had ik een discussie met een collega die zei dat je niet een kattenpersoon en een hondenpersoon kunt zijn. Die voorliefde voor katten en honden ligt blijkbaar genetisch en onvoorwaardelijk vast. Mmmm…ik denk het niet. Er bestaat minstens één persoon die van hondenman naar kattenman is geëvolueerd. Mezelf! Ik hou van de blaffende viervoeters en ben opgegroeid met een schat van een labrador. Maar gebeurtenissen hebben me een beetje een andere kant uitgeduwd. Vooreerst heb ik nu meer dan voldoende honden achter me aan gekregen tijdens het joggen. (Hij bijt niet hoor!) En ten tweede heeft zich vorig jaar een zwerfkat in ons huis gevestigd die iedereen met gemak rond zijn poot windt. Soort: Felix Vulgaris, maar met meer charme en persoonlijkheid dan dat ik in een kat voor mogelijk hield. Op den duur ga je onvermijdelijk je huisdier menselijke trekjes toedichten. In de wondere wereld van de literatuur gaat men – natuurlijk - nog een stapje verder.

In ‘A boy and his dog’ een film uit 1974 met de piepjonge Don Johnson in de hoofdrol en gebaseerd op een novelle van Harlan Ellison (tevens schrijver van het oorspronkelijke script voor ‘City on the Edge of Forever’ (Star Trek - seizoen 1, door velen geroemd als de beste TOS aflevering, waarvoor respect!) is de hoofdrol toebedeeld aan een telepathische, popcorn etende en moppentappende hond genaamd ‘Blood’. Samen met baasje Vic (Johnson) die hij eigenlijk als zijn protegé beschouwd en de enige persoon die Blood kan ‘horen’, beleven ze de wildste avonturen te midden van een postapocalyptisch landschap (kernoorlog) terwijl ze op zoek zijn naar voedsel, water, popcorn voor Blood en meisjes voor Vic (18 jaar en gierende hormonen) en terwijl ze proberen uit handen te blijven van bendes bandieten en mutanten. (Je typische SF post-nucleaire bevolking, quoi.) Blood en Vic zijn afhankelijk van elkaar voor hun overleving en hun innige band verleent de film meer spankracht dan de korte inhoud doet vermoeden.

David Weber, bedenker van de ‘Honorverse’, de ongelooflijk gedetailleerde wereld waarin Admiral ‘Lady’ Dame Honor Harrington allerlei avonturen beleeft in de ‘Royal Manticoran Space Navy', moet een kattenpersoon zijn. Onze heldin – een geüpdate Horatio Hornblower - is immers continu vergezeld van de kat Nimitz (meer een soort boomkat met 6 poten) die voorzien is van een imposant setje klauwen en een meer dan onmenselijke reactiesnelheid. En – o ja – Nimitz en Honor delen een diepe telepathische band. En waar Blood van popcorn houdt, heeft Nimitz dan weer een voorliefde voor selder.

Andere voorbeelden zijn legio. Wat spreekt hier nu eigenlijk uit? De inherente dwang van de mens om alles te ‘antropomorfiseren’? (Laten we het dan nog niet hebben over computers en machines die menselijke trekjes, intelligentie, persoonlijkheid of wilsbeschikking worden toegedicht in het SF canon en in de echte wereld.) Of dat onze genetische ‘hardwired’ empathie zich niet beperkt tot onze eigen soortgenoten?

Wie weet Boppers? Misschien zijn we wel jaloers op het genot dat zo makkelijk door onze huisdieren wordt bijeengebedeld en waar ze zich zo schaamteloos kunnen aan overgeven. Al ooit eens een spinnende kat of extatische hond zich in allerlei wulpse bochten zien kronkelen tijdens het kopje krabben?