Pagina's

Posts tonen met het label aliens. Alle posts tonen
Posts tonen met het label aliens. Alle posts tonen

woensdag 26 mei 2010

Eindspel

Laat ons nog even een andere klassieker bespreken. Een klassieker uit de SF genreliteratuur. Mensen vragen me wel eens: ‘Lees je nog steeds die SF boekjes?’ Alsof sterke karakterontwikkelingen, diepe inzichten in ’s mens beweegredenen, verfrissend taalgebruik en leesmomenten gekenmerkt door intense genoegdoening, nieuwe gedachteassociaties en emotionele inleving, slechts het voorrecht kunnen zijn van de literatuur met de grote ‘L’? Nee dus.

‘Ender’s Game’ van Orson Scott Card is tevens één van die zeldzame boeken die een brugfunctie vervullen. Het is een ideaal boek om kennis te maken met dit genre. Hoewel duidelijk onder deze noemer ingeschreven ligt de klemtoon wel op het vertellen van een knappe en meeslepende kroniek van een held tegen wil en dank, vol met morele dilemma’s en een zeer onverwachte en bevredigende ontknoping. Maar de SF setting geeft het verhaal ook nog eens een exotische (als in vreemd en onverwacht) kleur als de mogelijkheid diverse decors te creëren waartegen het verhaal in al zijn ettelijke verwikkelingen en thema’s wordt uitgediept. (PS: 90 besprekingen met het maximale aantal sterren op Amazon.uk als je me niet gelooft!)


De aarde heeft op het nippertje een nederlaag kunnen afwenden tegen een ras van buitenaardse wezens dat nog het meest kan vergeleken worden met denkende insecten. Maar de eindafrekening komt eraan. Men heeft steeds geweten dat de buitenaardsen zouden terugkomen om ons voor eens en voor altijd af te maken. Dit moment – reeds voor 80 jaar voorzien – komt nu dichterbij. De spanning en vrees stijgt. Helaas zijn er geen generaals of soldaten met oorlogservaring nog in leven. Hoe kunnen we ooit nog winnen? Daarom hebben de regeringen reeds een tijdje een omvattend plan gestart om via natuurlijke selectie een ras van strategisch begaafde soldaten te creëren. Kinderen worden op vroege leeftijd geselecteerd en bij hun ouders weggenomen om na een opleiding en een slopende reeks ‘war games’ al dan niet weerhouden te worden als piloot, officier of als de generaal die tijdens de eindafrekening de massa troepen zal aanvoeren. De kandidaten worden getraind op de ‘Battle School’ een satelliet in een baan om de aarde omdat de vele testgevechten worden gespeeld in gewichtloze toestand in een 3D omgeving. De opleiding is brutaal. De competitie tussen de teams wordt in de verf gezet, pesten wordt aangemoedigd, het fysisch gevaar is soms zeer reëel.

Het verhaal start met de selectie van Andrew Wiggin – ook Ender genoemd – voor de ‘Battle School’. Al snel toont hij potentieel dat door zijn leraren zonder enige schroom veelvuldig op de proef wordt gesteld. We zien hoe Ender omgaat met de stress en de vele uitdagingen die op zijn jonge schouders worden gelegd. De manier waarop Ender met zijn teamleden omgaat en hoe hij probeert bovenaan de wedstrijdtabel te blijven door steeds maar op de proppen te komen met nieuwe manieren om een van de steeds complexere en moeilijkere testgevechten met zijn team te winnen, is een van de vele geneugten van het boek.

Hoewel dit een boek is over kinderen, is dit geen boek voor kinderen. Dikwijls voel je als lezer enig ongemak bij de keuzes die de mensheid heeft genomen om zijn overleving veilig te stellen. Heiligt het doel altijd de middelen? Is genocide toegestaan? Wat is geoorloofd? In die zin is het boek zeer confronterend. Naast deze thema’s en het verhaal van de geboorte van een oorlogsgenie zijn er ook tal van verwikkelingen in de rand die de soep kruiden. Zoals Peter en Valentine, oudere broer en zus van Ender die eerder niet werden weerhouden voor de ‘Battle School’, de één wegens zijn extreem gewelddadig karakter, de andere voor haar mededogen en die op hun eigen manier hier mee omgaan (waarmee Scott Card eigenlijk reeds de blogosfeer voorspelt in 1977), de slinkse wijze waarop de leraren en trainers van de ‘Battle School’ proberen de psychische toestand van hun pupillen op te volgen, de extreme ‘weapons of mass destruction’ en nog zoveel meer. Maar dat moet je maar zelf lezen. Hoef ik er nog bij te vertellen dat het boek ook de twee grootste prijzen uit het SF vakgebied heeft binngehaald bij zijn verschijnen, de Hugo en de Nebula award.
Later zijn er nog vervolgboeken op verschenen. Maar die bespeelden eerder andere thema’s en hadden niet zo veel gemeenschappelijk meer met ‘Ender’s Game’. Scott Card is later wel nog teruggekeerd naar het Ender universum door het oorspronkelijke verhaal opnieuw te vertellen, maar toen vanuit het perspectief van één van Enders teamleden, Bean.

Dus Boppers, open die poort en maak kennis met een nieuwe wereld.

zaterdag 6 maart 2010

How Science Fiction conquered the world...

Het valt me soms op hoeveel beklijvende visuele elementen van onze cultuur afkomstig zijn uit de rijk gevulde SF iconografie. We kennen de beelden van de bedreigende robot of alien uit de jaren '50 films. (The Thing, This Island Earth, Invaders from Mars...)Uit de jaren zestig herinneren we ons de bevreemdende roes bij het aanschouwen van sprekende apen (Planet of the Apes), de brandende boeken uit Fahrenheit 451, of de sexuele escapades van Jane Fonda in Barbarella. De volgende decade gaf ons een nooit eerder geziene reeks klassiekers. De bijna tastbare eenzaamheid van Charlton Heston in een (bij dag) verlaten Los-Angeles in de eerste scènes van 'The Omega Man'. Het trieste einde van het laatste beetje groen in het visionaire 'Silent Running' waar het enige resterende bos als een verstilde arcologie aan de enorme leegte van het heelal wordt overgelaten.

De beeldenstormvloed van Zardoz waar een hoogtechnologische cultuur ten prooi valt aan lethargie en zich van de rest van de wereld - vervallen tot een staat van barbarij- afzondert. (En ik heb het niet over Sean Connery, die bijna de volledige film in een soort pamper rondloopt.) We mogen ook THX 1138 niet vergeten, waar de ruimte waarbinnen het verhaal zich afspeelt buiten de contouren van het blikveld verder uitdeint, door het grenzeloze gebruik van witte oppervlaktes. Als het ongemak van de mens temidden een eindeloze zee van Lacaniaans genot. En ik heb het dan nog niet over Star Wars, Solaris, Westworld en Soylent Green gehad, die een veelheid van beelden hebben opgeleverd die zich stevig in ons collectief bewustzijn hebben geankerd.

Vivian Sobchack is professor 'Film Studies' aan de Universiteit van California en levert ons een ernstige beschouwing af over de vertaling van SF concepten naar het Amerikaanse filmscherm. 'Screening Space' is een degelijke en theoretische studie van de visuele semiotiek van de SF flim. Het mag inderdaad ook af en toe wel iets anders zijn dan de normale lichtere fankost. Met dit boek laat ze ons met andere ogen en met een dieper begrip de vele - op het eerste zicht - bijna frivole en redundante visuele elementen analyseren.

Thomas M. Disch gaat nog een stapje verder en verheldert in een heerlijke reeks essays in 'The Dreams our Stuff is made of' hoe het soms misprijsde SF genre de populaire verbeelding heeft gevoed met beelden en ideeën die wezenlijk hebben bijgedragen tot de vorm en inhoud van de culturele en sociale wereld waarin we nu leven. Met zijn bespreking van de historische wortels van het SF gedachtegoed bij Edgar Allen Poe, de feministische SF van de jaren '60 en '70 en het culturele relativisme in onze relatie tot andere beschavingen in wat ooit als pulp fictie werd geboekstaafd, is dit boek een vruchtbare bron voor verdere reflectie over een genre dat ten onrechte uit de hoogte wordt bejegend, maar in feite reeds lang bepalend is voor wat als 'mainstream' wordt benoemd. Enjoy it Boppers.

vrijdag 15 januari 2010

Sex with Aliens...

Deze week ‘Avatar’ gezien. Neen, dit is niet de zoveelste bespreking van de nieuwe film van James Cameron, die hard op weg is om met zijn bezoekersaantallen en opbrengsten een aantal nieuwe records te vestigen. Ik ga het hier niet hebben over de 3D technologie die een nieuwe norm lijkt te introduceren voor een rijkere filmbeleving noch over de echte kracht van de film die ligt in de minutieuze recreatie van een geloofwaardige, rijke en waarlijk exotische planetaire ecologie. Daar heeft iedereen ondertussen wel zijn ding al over kwijt. Neen, ik ga het hebben over de seksuele aantrekkingskracht tussen de hoofdpersonages, die het ware enigma van de film uitmaakt. Verrast? U zou het in feite niet mogen zijn. Want denken we hier even over na, dan stoelt deze verhouding tussen de na’vi Neytiri (Zoe Saldana)en Jake Sully (Sam Worthington)op een totaal waanzinnige identificatie. Of niet? In alle geval is hun verhouding het kloppend hart van de film.

Voor de mensen die de film nog niet zouden gezien hebben: De kreupele Jake Sully wordt in het lichaam van een bewoner van de planeet Pandora ‘gedownload’. Klinkt al serieus funky, maar dan moet je ook nog weten dat de planeet bevolkt wordt door een ras van 3 meter hoge, blauwe autochtonen met een staart! In zijn nieuw lichaam (avatar) wordt hij –zoals dat wel meer pleegt te gebeuren in de film – verliefd. Hier springt de vonk over op een lenige blauwe amazone, Neytiri, dochter van de hoofdman van de stam. Dit na’vi meisje ziet er behoorlijk anders uit dan het doorsnee vrouwelijke object van verlangen. Drie meter is dus echt wel groot voor een vrouw, hoor. Je gaat nu wel zeggen, die Jake, die is nu toch ook een na’vi, hij ziet er toch ook zo uit. What’s the problem? Het probleem beste Boppers, is dat de avatar, hoewel van uitzicht dus een blauwe reus, nog steeds de ‘menselijke’ persoonlijkheid heeft van Jake. Een mens die in een ‘menselijke’ (waarmee ik bedoel geen na’vi) psychologie en menselijke architectuur van primaire en secundaire identificaties zijn ‘subject’ en lichaamsbeeld heeft verworven. Dus de kans is zeer klein dat een mens (OK, laten we de seksuele perversies even buiten beschouwing) op iets anders dan een mens zou kunnen verliefd worden. Ik kan u verzekeren dat indien als gevolg van een mutatie plots een meisje zou worden geboren met een katachtig uiterlijk, blauw, met een staart en die opgroeit tot een smurf van 3 meter, ze bezwaarlijk veel aanbidders zal hebben. (OK, opnieuw laten we de perversies buiten beschouwing…)

Je zou nog kunnen opwerpen dat Jake verliefd wordt op een aantal tekens of betekenaars die op Neytiri kleven zoals een manier van bewegen, een oogopslag, een intonatie, een blik, een lach, een bepaalde houding. Maar dan is het duidelijk dat hij juist de interpreteerbare menselijke elementen gebruikt om zijn verlangen aan vast te kleven en enkel door de aanwezigheid hiervan daadwerkelijk zijn object van verlangen binnen Neytiri kan vinden. Met andere woorden, het blijft Jake Sully die verliefd wordt op Zoe Saldana, die Neytiri gestalte heeft via ‘performance capture’. Dus als we zeggen: enkel in de film, dan is dit ook de eenduidige waarheid, Jake kan enkel verliefd worden op de ‘gefilmde’ Neytiri.

Dus het gebeurt in de film en is zo verantwoordelijk voor meer dan twee uur kijkplezier. Als ik zou schrijven ‘kijkgenot’ is het omdat ook ik in Neytiri de menselijke tics van Zoe Saldana herken. Maar het gebeurt niet alleen in de film.

Ook in de literatuur zijn er legio voorbeelden te vinden van cross- specie gerampetamp. Nemen we de onvolprezen Miles Naismith Vorkosigian als eerste voorbeeld. Miles is het hoofdpersonage van de met prijzen overladen ‘Vorkosigan’ saga van Lois McMaster Bujold, een vrijbuiter en huurling, klein van formaat wegens zwakke botten, erfgenaam van een voorname familie en undercover in dienst van de Keizer van Barrayar, moet hij het volledig van zijn persoonlijkheid hebben. Wat hij noemt zijn ‘forward momentum’. In het kortverhaal ‘Labyrinth’ (verschenen in ‘Borders of Infinity’)moet hij het DNA van een gengemanipuleerde soldaat zien te bemachtigen. Die soldaat blijkt een vrouwelijke, katachtige reus te zijn met klauwen en slagtanden, een adolescent met gierende hormonen en aangezwengeld metabolisme, waar Miles uiteindelijk mee van bil gaat. Vooreerst om zijn hachje te redden maar uiteindelijk zal deze act de basis vormen voor een blijvende vertrouwensrelatie. En sergeant Taura wordt vanaf haar rekrutering in het huurlingenleger van Miles niet alleen een hartsvriendin maar ook een lieveling van het grote lezerspubliek van de Vor boeken.

Ook de grande dame van de SF literatuur Ursula K. Le Guin, laat zich niet onbetuigd. In ‘The lefthand of Darkness’ blijkt een planeet bevolkt door een ras die op gepaste tijden van sekse veranderen, en dit zelf ook een beetje kunnen sturen. Van vrouw naar man en terug. De hoofdpersoon, een menselijke ambassadeur moet uiteindelijk vluchten en kan enkel met de hulp van een inboorling ontsnappen. Samen beleven ze heel wat ontberingen en groeien ze uiteindelijk naar elkaar toe. Laten we zeggen dat er iets moois openbloeit.
Dus Boppers, staar jullie niet blind op de na’vi maar wees verrukt in de wetenschap dat de menselijke verbeelding en diens seksueel optimisme letterlijk alle grenzen overstijgt. Sexytime, zou Borat zeggen!

dinsdag 7 juli 2009

Het Reële en de Aliens in ons...

Peter Watts (de schrijver, niet het fictieve personage uit de onderschatte en te vroeg ter ziele gegane TV serie ‘Millennium’) heeft met ‘Blindsight‘ zijn vijfde boek afgeleverd. Een niet onaardige poging om First Contact met buitenaardse aliens te beschrijven. Van opleiding marinebioloog, had hij in zijn debuutroman ‘Starfish’ uit 1999 een ganse menagerie aan exotisch diepzeeleven laten opdraven, waarvan de - in de echte wereld bestaande - specimens de grenzen van de verbeelding met verve aftastten. Met ‘Blindsight’ heeft hij echter alle stoppen uitgetrokken, recente inzichten in een veelheid van wetenschapsdomeinen tot ver buiten hun initiële stellingen geëxtrapoleerd en een alien gecreëerd de term waardig. Geen ‘Star Trek’ alien gebaseerd op een menselijke template, noch een knuffel-ET, maar een ‘ding’ dat ons begripsvermogen overstijgt. Dat gaat reeds een heel eind in de goede richting om ons te entertainen maar geeft ook aanleiding tot een fundamentele vraagstelling. Wat is ‘Alien’? Wat als iets nu waarlijk vreemd is aan onszelf, zo vreemd dat we er geen woorden voor hebben, zouden we het dan met symbolen proberen te omsingelen of zouden we, overmand door angst de andere kant uit rennen, op zoek naar de uitgang? En wat als het ‘vreemde’ nu eens enkel bestond in onszelf en niet buiten ons?

In de psychoanalyse spreekt men over het Reële (niet te verwarren met de realiteit die uiteindelijk maar een construct, een model is) als datgene wat niet in woorden kan gevat worden, wat niet door de taal beheersbaar kan gemaakt worden. Het is in essentie een gapende kloof waarbinnen elke betekenis verdwijnt. Dit ‘tekort ‘ installeert ons als verlangende subjecten die middels een fantasme of wensdroom een verloren gegaan object terug binnen willen halen. Het is wat ons bij uitstek menselijk maakt. Dit steeds verschuivende verlangen maakt dat we verliefd worden en houdt ons de spiegel van totaal geluk en genot voor. Het maakt dat we op de lotto spelen en mensen op de maan zetten.

Maar het Reële fundeert ook de angst, waardoor elke angst verwijst naar het fundamentele afgrijzen door die betekenisloze kloof te worden opgeslorpt, zichzelf letterlijk – en letter voor letter - hierin te verliezen. Slavoj Zizek beschrijft het beter dan ik in ‘Schuins beziend’ zijn unieke analytische lezing van een aantal hedendaagse cultuurproducten. Zo haalt hij het SF kortverhaal ‘The unpleasant profession of Jonathan Hoag’ van Heinlein uit 1942 aan, waarin het hoofdpersonage uiteindelijk op het mythische dertiende verdiep wordt toegelaten en er te horen krijgt dat binnen onafzienbare tijd de ‘wereld’ zal herschreven worden en aangeraden wordt op dat specifieke moment vooral niet naar buiten te kijken. (Yeah, right!) Onderweg naar New-York gebeurt het onvermijdelijke: hij draait het autoraampje naar beneden en wordt geconfronteerd met een soort grijze kolkende ‘afwezigheid’ die hem de stuipen op het lijf jaagt. Datgene waar geen woorden voor zijn, valt dus onherroepelijk onder de mantel van de horror.

Andere kunstenaars hebben dit op hun eigen manier vorm proberen te geven. David Lynch met ‘Lost Highway’ waar de scènes op het strand onder de schaduw van het Reële vallen en een ‘unheimlich’ gevoel creëren dat bijna onhoudbaar wordt. Of neem Stephen King, met bepaalde stukken uit de Dark Tower cyclus. We herinneren ons toch nog Blaine, het op hol geslagen psychotische brein dat de trein bestuurt waarin onze helden zitten opgesloten? (Blain’s a pain and that’s the truth!) Of bepaalde flarden muziek van CocoRosie die als een ritmische bezweringsformule een barrière proberen op de werpen tegen een niet aflatende en voortkruipende angst?

Een ander kenmerk van echte horror zoals vormgegeven door het Reële, is dat het steeds als een plotse en onverwachte aanval op ons afkomt, zonder verklaring, zonder woorden en ontoombaar zoals een op hol geslagen trein (Blaine opnieuw). We kunnen er ons moeilijk aan onttrekken en worden als het ware in een draaikolk meegezogen. De confrontatie met horror is dus een confrontatie met een afwezigheid in ons, een alien-in-ons, die ons onnoemelijk meer angst inboezemt dan de alien-buiten-ons.

Tenzij die alien zich aandient in het culturele veld, handig vormgegeven door de successchrijvers van het genre. Wat ironisch is, want het is juist de taal, dat reservoir aan betekenaars dat ons als sprekende en verlangende wezens fundeert, die door de onvermijdelijke gaten in het spinnenweb van woorden waarmee we de wereld proberen te vangen, ons zo ontvankelijk maakt voor die angst. In afgezwakte versie best genietbaar in boek en film daar die juist een extra talige bescherming vormen tussen onszelf en …de alien within. Dus beste Bopper, weet dat je vannacht niet alleen bent, wanneer je wakker schrikt bij het horen van een verdacht geluid uit de woonkamer…

woensdag 27 mei 2009

The Face of Boe...en de kunst van het reizen

Parijs. Lichtstad. Altijd iets nieuws te (her)ontdekken. En zeker met Alain De Botton in de rugzak. Ditmaal met ‘The Art of Travel’, een aantal beschouwingen en pertinente inzichten over het reizen. Hij stelt zich onder andere de vraag wat ons motiveert om te reizen, en dan specifiek naar een welbepaalde locatie? Zo trok de Franse schrijver Flaubert in 1850 naar Egypte alwaar hij zich volgaarne in de plaatselijke cultuur liet onderdompelen. Hij leerde de taal, trok een witte boernoes aan en liet zeer lovende uitspraken noteren over de piramiden, exotische dansers en de edele en nobele karaktertrekken van de kameel. Hij is de rest van zijn leven verknocht gebleven aan Egypte. Voor De Botton lijkt een bestemming uitnodigend wanneer we aanvoelen dat bepaalde (exotische) elementen van het reisdoel beter en meer waarheidsgetrouw onze identiteit en waarden lijken te incorporeren dan onze eigen stek. Wat dit specifiek voor mij betekent met betrekking tot Parijs is een onderwerp voor verdere contemplatie, maar ik kan jullie verzekeren , beste boppers, dat het niet de overvolle metro is tussen La Bastille en Châtelet, die innig met mijn diepere zelf resoneert.

Nee, dan liever een bezoekje aan Le Musée de L’Orangerie waar Monet’s gigantische waterlelies (Nymphéas) hangen. In twee - in gedempt daglicht gedrenkte - zalen volgen grote gebogen panelen de uitholling van de concave zijmuren en proberen ons in hun schijnbare eenvoud iets essentieels te vertellen. Het kalme en koesterende effect van deze waterlelies, die lijken te zweven op het heldere water van vijvers zoals die alleen in schilderijen uit de 19de eeuw kunnen bestaan, wordt een beetje teniet gedaan door de massa toeristen. Maar zelfs dit kan de dwingende uitnodiging tot meditatie die vanuit de omvangrijke canvassen bijna fysisch op je afspringt, niet afblokken. Maar hoe neem je een dergelijke ervaring mee? Hoe zorg je dat ‘schoonheid’ die je observeert tijdens je reis, een blijvende herinnering wordt en hoe kun je die –eenmaal terug thuis- op grijze en regenachtige dagen in al zijn betoverende luister opnieuw beleven? Is een foto nemen wel de beste oplossing? De Botton stelt zich dezelfde vraag en vindt het antwoord bij de in 1819 geboren Engelsman John Ruskin. Trage, meticuleuze en minutieuze observatie lijkt aanbevolen. Go slow. En we doen dit best door een tekening proberen te maken van wat ons in alle schoonheid overvalt. Of we hier al dan niet talent voor hebben is irrelevant, de act van het tekenen verplicht ons oog te hebben voor het kleinste detail waardoor we het onderwerp langzaam gaan bezitten en die elementen die een tafereel voor ons ‘mooi’ maken, eruit kunnen lichten…We kunnen dit ook doen door het tableau goed te gaan beschrijven, ‘woordschilderen’ zoals Ruskin het noemt. Vandaar mijn enigszins bombastische beschrijving van de waterlelies van daarnet.

Maar tekenen lijkt de voorkeur weg te dragen van de tientallen studenten die gewapend met schetsboek en potlood de vele geraamtes van de uitgestorven dieren in de’ Galeries de Paléontologie et d'Anatomie comparée’ in de Jardin des Plantes levensecht op het papier proberen te krijgen. Dit is de tweede keer dat we dit museum bezoeken en het blijft een unicum. Het soort museum waar Boudewijn Büch indertijd enthousiast kon van worden. Het herbergt een massa geraamtes, overblijfselen van prehistorische dieren en fossielen die door hun veelheid en opstelling een massale aanval op de zintuigen inzetten. Ik denk dat het museum sinds de 19de eeuw niet meer is veranderd. Stoffig en oud, met afbladderende verf en handgeschreven opschriftjes bij de tentoongestelde items is het museum zelf een statement in een tijdperk van mediagekke interactieve museumdisplays. De geraamtes staan opgesteld als in een grote kudde, gehoorzamend aan een onzichtbare doch bezwerende orkestleider, die hen – gevangen in het moment – opzweept naar het einde der tijden. (Woordschilderen, weet je wel.)

Bijzonder leuk is ook een stad leren kennen door er doorheen te lopen op het vroege ochtenduur. In de Jardin du Luxembourg lopen we niet alleen in de lichte regen. Parijzenaars in alle maten en gewichten lopen hun rondjes in dit mooie park waar we plots worden verrast door een gigantisch groot bronzen hoofd, een beeldhouwwerk van Louis Derbré (Le Prophète). Wellicht onder de invloed van de vrijgekomen endorfine, meen ik eerst ‘The face of Boe’ te ontwaren, vooraleer de realiteit zijn meesterschap terug opeist. An easy mistake for a fanboy to make. De volgende keer misschien toch dat schetsboek meenemen?

dinsdag 14 april 2009

Old Skool SF

Je moet ervan houden. Golden Age SF uit de jaren 1930 - 1950. Toen ruimteschepen nog fallisch herkenbaar waren en de helden mannen uit één stuk die schone deernes redden uit de tentakels van de verschrikkelijke aliens van de planeet Zog. Alles wat ik ken, heb ik geleerd uit die boeken. Ik was een van de astronauten te midden van een desolaat marslandschap bezaaid met de trieste resten van een verdwenen beschaving en leerde meer over eenzaamheid en afscheid van Ray Bradbury dan van wie ook. (‘The Martian Chronicles’). Alfred Bester leerde me grote organisaties wantrouwen en ik zag hoe wraakgevoelens een mens kunnen veranderen en hoe men volledig hierdoor verteerd, toch nog een staat van genade kan vinden (‘The Stars my destination’). Ook maakte ik wereldreizen op exotische planeten, leerde vreemde gebruiken, talen en mensen kennen van Jack Vance en leerde verdraagzaamheid (Big Planet). Je bent jong en beïnvloedbaar en die staat van opwinding, begeestering en verwondering bij het lezen van die uitheemse avonturen… die is ongeëvenaard.

Ah, die regenachtige namiddagen toen ik thuis naast het haardvuur lag met de hond en ik boek na boek verslond. Maar je wordt ‘volwassen’ en een beetje van die oorspronkelijke luister en onversneden gloed van het genre verdwijnt. Begrijp me niet verkeerd. Ik ben SF blijven volgen en ben best blij dat mijn ‘sense of wonder’ niet al te veel is afgestompt. Maar die eerste ervaringen, die blijf je meedragen. Daarom heb ik een zwakte voor oude SF. Om dezelfde reden hou ik van de originele Star Trek episodes. Met het risico dat sommigen wellicht de wenkbrauwen zullen fronsen, moet ik toegeven dat ik onlangs op een managementopleiding voor ‘grootste rolmodel tijdens mijn jeugd’, James T. Kirk heb neergeschreven. OK, een beetje lolbroekerij is me niet vreemd maar alle gekheid op een stokje: Kirk was besluitvaardig, rechtschapen, moedig, kapitein van een ruimteschip… En dan zwijgen we nog over het vrouwelijk schoon dat zich elke week voor zijn voeten wierp, waaronder de onder fanboys zo geliefde Orian Slave girls…


Daarom ben ik uitermate blij dat Heinlein terug is opgestaan. Inderdaad Robert A. Heinlein, het grote boegbeeld van ‘The Golden Age of SF’ is terug en hij noemt John Scalzi. Hoe dikwijls heb ik niet met Johnnie Rico uit een combat shuttle mee gesprongen om de ’bugs’ te gaan bestrijden in ‘Starship Troopers’. Dit weekend sloeg ik met een grote zucht van voldoening het laatste blad om van ‘Old Man’s War’ van John Scalzi. Korte inhoud: de toekomst, de mensheid heeft reeds heel wat planeten gekoloniseerd maar is helaas continu in oorlogen verwikkeld met aliens van allerlei pluimage om nieuwe levensvatbare planeten binnen te rijven of van elkaar af te nemen. Oude knakkers met een minimumleeftijd van 75 jaar, kunnen dienst nemen in het koloniale leger en worden na een ‘medische behandeling’ als superfitte soldaten in de strijd geworpen. Na hun ‘tour of duty’ – indien ze die overleven want de overlevingskansen zijn extreem laag – krijgen ze een stukje land op een of andere planeet om zich daar als kolonist te vestigen. Het gegeven is aantrekkelijk in die zin dat je hier soldaten hebt die allemaal een levenswijsheid van 75 jaar of meer achter de kiezen hebben, wat aanleiding heeft tot soms nogal grappige - en minder grappige- beschouwingen te midden van al die ellende. Het leest als een trein. Debet hieraan zijn de eerste hoofdstukken, waarin al die oudjes door hun behandeling en training moeten en een aantal technologische toekomststaaltjes zoals een supergevechtsuitrusting… net zoals bij Heinlein. Alles keert terug.

’Old Man's War’ is het eerste deel van een trilogie. De buzz is dat de latere delen het niveau van het eerste niet halen. Maar dat zal ik zelf wel onderzoeken. So, stay tuned Boppers.